Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegt Dr. Büchner: „Zij heet ook het geweten en treedt in de Philosophie op als de beroemde kategorische Imperatief der Kantsche school." Dat is alles! Wat de vragen betreft, met welke hij bij de bespreking van het moreele argument de voorstanders daarvan in het nauw zoekt te brengen, zij zijn zeker niet alle even benauwend. „Waar blijft," zoo hooren wij hem vragen, „het aangeboren geweten bij die wilde en barbaarsche volken, van welke de reizigers ons verhalen, dat zij slechts naar de ruwste driften en instinkten handelen?" Waar dat blijft, Dr. Büchner? Wel dat blijft waarlijk niet zwijgen, maar vertoont zich in zijne werking, wanneer een zendeling onder hen optreedt en het kwaad onder hen bestraft, het onrecht onder hen ten toon stelt. Dan openbaart zich, als zij den zendeling beginnen te begrijpen, óf verstoordheid en gramschap en vijandschap, óf schaamte en erkenning van schuld, en alzoo in beide gevallen toegankelijkheid voor den zedelijken indruk. Neen, Dr. Büchner, op het punt van het geweten zijt gij met uw Materialisme niet het sterkst. Het geweten-, Dr. Büchner, het geweten, o het kan iemand zoo boos maken, als hij uitvaart tegen het geloof aan God. . .

In de vijfde plaats komt het bewjjs uit de overeenstemming der volken (e consensu gentium) ter spraak. Het gewone bezwaar van „wilde volken zonder geloof aan God" lag hier natuurlijk voor de hand. De voorgewende overeenstemming onder de volken, zegt de bestrijder van het argument, ontbreekt. Maar al ontbrak zij niet (het is altijd Dr. Büchner die spreekt), 'tzou toch niets bewijzen voor de waarheid van het Godsbegrip. Het is genoeg, op het onzinnig en waanzinnig geloof aan heksen te wijzen, en heeft ook het geloof aan God eene zekere groote en algemeene verbreiding gevonden, dit is toch evenzoo — altijd volgens Dr. Büchner — en op gelijke wijze met betrekking tot het geloof aan den duivel het geval geweest, welk geloof zelfs onder de natuurvolken in den regel veel sterker en meer ont-

Sluiten