Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bij de behoefte aan vrede en eendracht vroeger de vraag te wezen:

Hoe ruimen wij onze verschillen uit den

weg?

Thans het men de verschillen liggen en vroeg: Waarin zjjn wij 'tmet elkander eens? Een klein verschil, zoo 't schijnt; maar dit juist was zoo groot, dat het vroeger schier elke vereeniging onmogelijk had gemaakt en de meest welgemeende pogingen er toe had doen afstuiten op vragen, waar wij thans glimlachend bjj uitroepen: hoe onnoozel, hoe onnoozel! Denkt u b. v. de vraag in de vroegste eeuwen over den tijd waarop het Paaschfeest moest worden gevierd. En toch, scheidt zij niet reeds in beginsel het Oosten van het Westen?

Denkt aan Luthers: Hoe est corpus meum, en de broederhand kan hij den Zwitsers maar niet geven, 't Had zelfs veel in hem er toe te bewegen om hen eindelijk te groeten als vrienden! a)

Thans liet men dat alles voor 't geen het was, in zijne volle waarde of onwaarde. Men kreeg inzicht in het groote feit der bestaande eenheid. En weerklank in het hart vond de vermaning des Apostels in zijn brief aan de Philippensen uitgedrukt: „daar wjj toe gekomen zijn, Broeders, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen." b).

En nu laten wij de mannen van Free-masons-Hall zeiven spreken, en laten u de resolutiën hooren, die daar, na menigvuldige gebeden en in diepe verootmoedi-

a) Zie Mbele d'Atjbigné, Kerkh. 6) Phil. 3 : 16.

Sluiten