Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze Gemeente openbaart zich als Kerk. De Kerk heeft drie kringen met hetzelfde middelpunt, 1°. hen die eenmaal blijken zullen het ware Lichaam van Christus, de eigenlijke Rijks- en Bruidsgemeente te zijn; 3°. de wordende Gemeente der belijders, nu ranken aan den wijnstok, maar van welke er nog door den Vader (Joh. 15, 2) zullen afgesneden worden; 3°. de wereldkerk met hare volks-'en staats-kerken, die alle gedoopten omvat. Ook in onze hervormde Kerk vertoonen zich alle drie deze bestanddeelen der Kerk: de ware helpers zijn ook in haar de kern: daaromheen, met vlottende grenzen, beweegt zich de belijdende en de wereldkerk in haar.

Het wezen der Kerk is de belijdenis van den Naam des Heeren Jezus. Want als deze belijdenis, d. i. de uitspraak dat men in de Kerk de straks beschreven levendmakende gemeenschap des Heeren ervaart, door de Kerk niet meer gedaan wordt, dan verklaart de Kerk zich zelve te niet gedaan: immers dan verklaart zij zich tot een Staat geworden. In den Staat toch is niet meer de gemeenschap der menschen, maar slechts vere-eniging opgrond van afstamming en andere natuurlijke banden. Het wezen der Kerk is de persoonlijke gemeenschap met Christus, welke zijn eeuwige Godheid en ware menschheid onderstelt. Komt voor die gemeenschap een lager vereeniging in de plaats, zoo is de Kerk als zoodanig te niet gedaan. (1)

Tot zoo iets, tot eene vereeniging, verklaart zich nu inderdaad onze hervormde Kerk, omdat zij als Kerk 's Heeren Naam niet meer belijdt. In eene vereeniging hebben alle „partijen" gelijk recht van bestaan, behooren vrijheid van beweging te genieten. Meent eene Kerk zulk eene vereeniging te zijn, dan beslist de meerderheid op elke plaats over de verhouding der „partijen" tot elkander. De dommekracht der opstuwing bepaalt dan, wie als de sterkste den zwakkere kan terugduwen. Omstreeks veertig jaren geleden genoten in onze Kerk de „liberalen", tegenwoordig bijna overal de „orthodoxen" dezen vernederenden triomf. Billijk vragen (als de Kerk zich zulk een Vereeniging acht) de „modernen" om gelijk recht voor zich, om een evenredig aantal leeraren

(1) De strijd tusschen Athanasius en Arius over de natuur des Zoons, te Nicea beslecht, betrof niet een bovennatuurlijk, voor het leven der Gemeente waardeloos vraagpunt, maar het wezen der Gemeente zelve. Is de Zoon niet waarachtig God, dan is er geen werkelijke gemeenschap tusschen Schepper en schepsel in Hem, en door Hem in zijn Lichaam, 1 de Gemeente, tot stand gekomen, d. i. er bestaat dan slechts een Vereeniging, geen Gemeente. Daarom verklaart Harnack terecht (Dogmengesch. II, 220, 221) dat het geloof van Athanasius de christelijke Kerk gered heeft, daarentegen eene zegepraal van Arius hoogstwaarschijnlijk den godsdienst in den godsdienst zou vernietigd hebben.

Sluiten