Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onlangs in het merkwaardig geschrift: Der Gottmensch. Die Grunalid.ee der Offenbarung in ihrer Einheit und geschichtlichen Entmickelung dargestettt von Lic. Dr. c. w. eduabd nUgelsbach. V Band. Der Mensch der Natur. Nürnberg, geiger 1853. Het gronddenkbeeld van dit werk is volgens pag. 96 e. v. het volgende: de Godmensen, jbzus chbistus, is type zoowel der menschheid als des menschen, en daarom zoowel middelpunt der wereldgeschiedenis als der met deze innig verbondene gewijde geschiedenis. De grondvormen zijner geschiedenis en natuur moeten dus in alle vormen in welke de idee des menschen zich verwerkelijkt, teruggevonden worden; en gelijk adam rviros toB péXXovrot was, zoo is het ook elk zijner zonen en elke levensuiting en hun wezen uitdrukkende werkzaamheidsrichting van hun geslacht. Dit alles den diepzinnigen NaGELSBACH gaarne toestemmende, hebben wij overigens gewichtige bezwaren tegen andere in dit werk ontwikkelde denkbeelden. Hij beschouwt den geest als de tot een hooger trap van volmaaktheid opgevoerde (als de Verklarung der) zinnelijkheid, terwijl wij ons stof en geest als twee zelfstandige, niet in elkaar overgaande wezenheden denken. Ook is de zonde ons niet, gelijk bij den S. slechts eene stremming dier voortgaande ontwikkeling en volmaking, maar positieve vijandschap tegen den geest en den Vader der geesten. In deze beide dwalingen herkennen wij eene pantheïstische strekking. Zóó toch wordt de zonde niet met al den heiligen ernst veroordeeld die uit de H. Schrift ons tegenademt. Zij blijft slechts eene noodzakelijke schakel in Gods eeuwig wereldplan. Deze laatste opvatting is trouwens noodzakelijk waar men den breeden bodem van al de (ook de voor onze bevatting tegen elkander strijdende) uitspraken van de H. Schrift verlaat, en voor deze waarneming eene aprioristische ontwikking, b. v. uit de souvereiniteit Gods in de plaats stellende, genoodzaakt wordt om ter wille van de logische consequentie sommige feiten te ignoreren. Volgens de H. Schrift heeft de zonde eene werking gehad welke wij approximerend aldus uitdrukken dat voor onzen blik God zijn eeuwig wereldplan om die zonde heeft veranderd, en wel niet zijne liefde zelve, maar toch den vorm harer betooning en openbaring gewijzigd heeft. Hierbij

Sluiten