Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denzelfden schrijver in het Tijdschrift Licht, Liefde, Leven, onder de titels Kunstmiskenning, Kunstvergoding en Kunstwaardering ontwikkeld.

(16) Met vreugde vereenigen wij ons met Dr. l. s. p. meyboom waar hij in zijne "Wijsgeerige beschouwing van den Mensch in de meest belangrijke rigtingen en verschijnselen zijns levens" 1850, pag. 38 de zedelijke mensehenwereld niet anders verklaart te kunnen beschouwen dan "met Christus als hare krone aan "het hoofd. In Hem kennen wij den redelijken, zedelijken en " godsdienstigen mensch eerst regt in zijn aanleg en bestemming. "De een of andere wijsgeer moge om zulk eene beschouwing " glimlagchen, wij glimlagchen op onze beurt om zijne eenvoudigheid wanneer bij natuur en mensehenwereld zonder Christus "tot voorwerp zijner beschouwing maakt, en vragen hem hoe *,fci}, zin en zamènhang van een tooneelstuk meent, te kunnen "vatten, wanneer hij dat bedrijf waarin de ontknooping is, wil "overslaan."

Over het vestigen van de Aesthetiek op den bodem der christelijke grondstellingen nog een woord. Eene wetenschap der Aesthetiek, voor welk het schoon-zijn der dingen bestaat in hun doordrongen-zijtt van de idee, van den geest, kon in de oude wereld niet bestaan omdat de tegenstelling tusschen Natuur en Geest in haar nog niet bestond. Eerst toen op het rijk der natuur het rijk der genade gevolgd was, werd het de hoogste taak voor de menschelijke beschaving, natuur en geest te onderscheiden. De stof werd voortaan niet meer het ligchaam en orgaan, maar vooreerst slechts de spiegel des geestes, om met den voortgang van de Christusidee in de menschheid weder hoe langer hoe meer door de kunst tot orgaan des geestes te worden verheven in reiner, heiliger zin dan bij de vermetele anticipatie (zie pag. 29) dei" heidensche wereld. Scherpzinnig leert ons dan ook g. bernhardy in zijn Grundriss der Griechischen Litteratur I pag. 117 e. v. dat en waarom de oude Grieken noch den naam noch het denkbeeld van "smaak" of van "het Interessante" noch (met uitzondering wellicht van euripides) van "het gemoedelijke, sentimenteele" hadden. Dat in latere tijden de bepaald-christelijke geloofsovertuiging zoo weinig bij de hoofdbegrippen der

Sluiten