Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelen. Ik houd dus mijn naaste tegen wien ik strijd, voor eerlijk en oprecht, mijn liefde en eerbied waard. Elk woord dat, tegen mijn bedoeling, in de nu volgende bladzijden niet met die gezindheid zal blijken te strooken, veroordeel ik vooruit en neem het terug. Genoeg ter inleiding: komen we tot de zaak zelve.

Voor twee hoofdstukken verzoek ik ulieder aandacht. In het eerste wensch ik uit den aard der zaak, in het tweede uit de geschiedenis, uit de werkelijkheid in den ruimeren zin des woords, aan te toonen wat ik te bewijzen heb.

I

Het verschil tusschen ons en Ulieden is dus zeergroot, want het is zedelijk van aard. Van een van ons beiden, of van ons of van Ulieden is het oog des gewetens voor een gewichtige waarheid nog gesloten. Wat gijlieden beweert, dat de eisch: >allereerst de Belijdenis!" niet mag gesteld worden, hebben wij een zonde, niet 'een dwaling maar een zonde genoemd (*). Dus een van beide: of ons zedelijk oordeel faalt, daar wij zonde noemen wat volgens Ulieden niet eens een dwaling is — of Ulieder oordeel faalt. Of wel, eigenlijk, staan wij beiden, Gijlieden en wij, veroordeeld! Ik kom later hier op terug.

Gijlieden zegt: »Het belijden van den Naam van Jezus Christus, gedacht als iets op zichzelf staande, als iets dat er eerst moet zijn vóór het tot iets anders komen kan, is een klank, iets zwevends" (*). Wij daarentegen zeggen: het belijden van den naam des Heilands, louter op zichzelf gedacht, zonder oog op éénig gevolg, is het één en al waarin het Evangelie bestaat. Die met het Evangelie in de wereld het eerst optraden, deden niets anders, volstrekt niets anders, dan dit verkondigen. Petrus op den eersten Pinksterdag, Paulus als hij ons oproept om

(!) Ook opzettelijk in een geschrift: „Onze zonde", uitgegeven bjj de firma ten Hoet, Nijmegen 1903.

(*) Wat dan volgt: „heelt zelfs niet het recht op den naam van ideaal" — versta ik niet. Ik dacht dat een „ideaal" iets zeer hoogs was. Maar het doet er niet toe, het kan wegblijven. Trouwens een christen kent als zoodanig geen ideaal: hij is in hetgeen de ongeloovige ideaal noemt, ingezet, in den hemel gezet, Ef. 2, 6. Is hij daaraan ontrouw, zoo zinkt hg niet beneden z^jn „ideaal", maar beneden de van God gegeven werkelijkheid.

Sluiten