Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

olie in de wonden giet. Ik treed hier niet in bijzonderheden over het werktuigelijke, het hartelooze, willekeurige, aan alle geloofswarmte gespeende, dat ondanks de persoonlijke voortreffelijkheid van vele B.B. diakenen onze diakoniën als instellingen drukt. Deels hebt gij zelf, geëerde Broeder! dit gedaan, deels wil ik niet op de straten van Askalon boodschappen wat niet noodig is te vermelden. Ik resumeer slechts wat ik betoogde: Gij wilt »een betere wijze van bedeelen." Hieronder kan men verstaan hulp aan de Diakenen doordat anderen een deel van hun arbeid op zich nemen: vermeerdering van stoffelijke middelen waarover deze Broeders beschikken, en velerlei soortgelijks. Dit is hoogst wenschelijk, en ik wensch het van harte met U. Doch dit is geen bijzonder kenmerk van de kerkelijke diakonie welke wij bespreken. Immers hierin onderscheiden onze B.B. diakenen en hun arbeid zich niet van tallooze andere vereenigingen voor liefdadigheid en «inwendige zending", die allen dezelfde behoefte hebben. De schranderheid en opofferende liefde, daartoe vereischt, wordt, zooals de ervaring leert, ook bij ongeloovigen, anarchisten, socialisten gevonden. Maar verstaat men onder »een betere wijze van bedeelen", zooals hier behoort, het openbaren van de barmhartigheid van Christus in zijn Lichaam, de Gemeente, door het Ambt, uitdrukkelijk daartoe door Hem gegeven, dan is de belijdenis van den Naam van Jezus Christus door de kerk als kerk, als noodzakelijke voorwaarde tot die liefde, allereerst daartoe noodig. Ik zeg niet: »de oprechte, in liefde werkzame belijdenis"; dat ware een tautologie, een tweemaal-hetzelfde zeggen; een belijdenis der lippen waar geen liefde uit volgt, wordt in de H. Schrift nooit »belijdenis" genoemd. (') En zoo meen ik bewezen te hebben wat de titel van mijn geschrift beweert: de wortel van het kwaad ligt ook voor een betere wijze van bedeelen, daarin dat de Kerk als kerk den Naam des Heeren Jezus Christus niet belijdt.

(i) Belijden is gelooven, omdat het is het geven van den noodzakelijken, natuurlijken vorm aan het inwendig bestaande leven. De jeugdige martelares Perpetua verstond het. Haar grijze vader bezocht haar in de gevangenis en bad haar dringend om den wille van haar eigen leven en van dat van haar pasgeboren kind, dat zij toch niet Christus zou belijden. Zij antwoordde: „gij ziet hier een vaatwerk, een kruik; kan men dat met een anderen naam noemen dan welken het draagt?" De vader zeide: ..neenl" en zij ging voort: „zóó kan ik mij niet anders noemen dan wat ik ben, een christin." Zij die een kerk zonder belijdenis willen, begeeren een leven zonder uiting.

Sluiten