Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doen kennen en liefhebben. Dat het belijden en zijn gevolg, het organiseren, voor de geheele geschiedenis van een volk de grootste beteekenis heeft, leert de geschiedenis overal.

Slechts een paar voorbeelden. Een bekende groep van middeleeuwsche volken, Alanen, Oost- en West-Gothen, Alemannen, Vandalen, enz. beleden de waarachtige Godheid des Heeren Jezus niet; zij waren Arianen. En deze volken hebben zich niet kunnen levend houden; ze zijn alle ondergegaan. Voor den oppervlakkigen blik heeft nu de belijdenis met het volksleven niets te maken. Maar geschiedkenners als Dittmar en Ranke wijzen aan hoe, daar de ariaansche belijdenis de volle gemeenschap tusschen God en menschen verhinderde, deze volken ook niet tot de kracht konden komen, noodig om de stormen der volksverhuizing te wederstaan. En wat meer bijzonder het verband der belijdenis met de gemeentelijke liefde betreft, bedenke men slechts hoe het semipelagianisme (schatting van de werken nevens het geloof) in de roomsche kerk aanleiding gaf en geeft tot het bevoordeelen van kerk en geestelijkheid ten koste van de armenverpleging. Daarentegen in de vóór-roomsche dagen, in de oude katholieke kerk, zien wij in de verwardste en rampzaligste tijden toestanden van ellende voor welke wij terugbeven, alleen door goed georganiseerde armen verpleging overwinnen (*). En wat onze protestantsche kerken aangaat, is het noodig in bijzonderheden aan te wijzen hoe het geloof der vaderen zich belichaamde in stichtingen op welke onze armen verpleging grootendeels nog teert, terwijl het ongeloof, de belijdenisloosheid en desorganisatie onzer tijden niet alleen de kerken ontvolkt, maar ook de beurzen en harten voor al wat de kerk in dezen doet, gesloten houdt? Is liet noodig uit de toestanden rondom ons voorbeelden aan te voeren voor de verwoestende, dorheid en dood spreidende werking

Voor meer voorbeelden en uitvoerige aanwijzing van het hier gezegde raadplege men het artikel Armenpflege van Dr. C. U. Eahn, in Herzog's Kealencyclopedie, 2e uitg. Ie D. bl. 648—663. Hahn is geen theoreticus slechts, maar een grondig kenner, in den arbeid der armenverpleging vergrijsd. Hij deelt volkomen in de boven uitgedrukte meeningen. Hoe, verder, het verval van den levenden, in de organisatie zichtbaren en door haar werkenden, toestand der kerk als kerk het ongeloof in de Gemeente, dns ook de kwjjning harer instellingen, heeft in de hand gewerkt; in de Italiaanscho Renaissance, het Engelsche Deïsme het Fransche naturalisme der revolutie, het Duitsche humanisme der wijsbegeerte, de Nederlandsche halforthodoxie, weldra tot kloeker modernisme verhelderd — leert de kerkgeschiedenis duidelijk.

Sluiten