Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de Schriftwaarheid niet doen. De houding der „Modernen" in de zaak der kerkinrichting, b.v. in de Synode en andere kerkelgke vergaderingen, is dan ook, gelijk ieder erkent, zeer veel waardiger dan die der rechtzinnigen die b.v. zeggen: „sedert Constantijn en de Hervorming kan datgene wat de Schrift ons omtrent de kerkinrichting leert, geen toepassing meer onder ons vinden, maar alleen datgene wat de geloofsleer en het geestehjk leven betreft." Dit is niet dan rationalistische willekeur.

Daarom zeggen wij: een schriftgeloovig leeraar mag eenvoudig niet zeggen: „met de inrichting der kerk bemoei ik mij niet, ik heb er geen verstand van". Want hij mag, naar den plicht dien zgn studie van Gods Woord, en de hem toevertrouwde mede-besturing der kerk hem opleggen, hij mag wegens dat alles niet nalaten, hierover een bepaalde meening te hebben en die meening te laten gelden.

Wij overdrijven niet. De zaak der kerk is niet van even groot belang als de zaak der geloofsleer en des geestelijken levens. Er zgn hoogverdienstelgke voorgangers, die, bevangen in de individualistische dwaling, de zaak der Kerk verwaarloozen, en van wier uitnemendheid wij echter niets willen afdoen. Onze vaderen, die zeer grondig over het verband tusschen geestehjk leven en kerkvorm dachten, en in onze Belijdenis van 1561 en in hun kerkordeningen voortreffelgk daarover handelen, hebben niettemin steeds luide erkend dat de kerkordening behoort tot het welwezen, niet tot het wezen der kerk; en wij zeggen hun dit van heeler harte na. Maar toch is het verband tusschen deze beide belangen zoo innig, dat een voorganger het niet zonder schade voor het geestehjk leven der Gemeente kan verwaarloozen.

Schrift en ervaring leeren als om strijd dat de enkele mensch niet afgezonderd voor zichzelf tot geestelgken wasdom kan opgroeien. Daarom heeft de Heer zelf, mtdrukkehjk voor dien wasdom, de Gemeente, die zgn Lichaam is, met ambten en bedieningen verzorgd Eén Geest, één leven, doordringt alle leden. Gelijk in ons menschelgk lichaam zintuigen en in- en uitwendige organen elkaar aanvullen, het geheel en de leden wederkeerig door elkander leven, zoo „dienen voorgangers en leden der Gemeente elkander in die helde", die „de band der volmaaktheid is". Het „Lichaam van Christus" en de kerken op aarde zgn niet hetzelfde. Maar elke kerk,, ook de onze, moet het ééne en ondeelbare Lichaam van Christus openbaren, er zoo na mogelijk aan gelijk zgn. Elke bediening in haar geschiedt in den Naam van Christus: Hij drukt zich daarin uit, geeft zich daarin zgn gestalte

Sluiten