is toegevoegd aan je favorieten.

De blijvende Heer daarboven (naar aanleiding van Romeinen 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest". Nu werd het ons ruim om het hart. Nu leerden wij dat angstige klagen af. Want immers nu werd zijne toekomst ook de onzel Nu gingen wij het den apostel na-stamelen, na-danken, najubelen: „Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?" Nu werd het ons mogelijk aan de menschheid te blijven gelooven, ondanks onze tallooze teleurstellingen met de menschen, en allereerst met onszelven ervaren. Nu werd het ons mogelijk, neen! een lust, een behoefte des harten voor allen die de Heere ons toezond op ons levenspad, te getuigen van die eeuwige, grenzenlooze ontferming die zelfs ons had weten terecht te brengen, ons de grootsten der zondaren, zoodat ons ook de laatste reden tot wanhoop voor iets of iemand ter wereld ontzonk.

O mijn broeder of zuster, die mij thans hoort spreken, en die wellicht in uw harte zegt: „hij schijnt het vrij licht te nemen met het leven, maar ik kan niet zoo blijmoedig, zoo jubelend daarhenen gaan", ik bid u, denk zoo niet! Ook wij, voorgangeren, moeten het zoo menigmaal met den apostel getuigen: „niet dat ik het aireede gegrepen heb", en vaak is niemand zóó beschaamd en verootmoedigd door de woorden die hij spreekt, dan de dienaar des Evangelies zelf. Maar dat geeft ons toch geen recht iets van onze boodschap at te doen? O dat toch onze zondige kortzichtigheid ons niet belemmere dat volle, heerlijke, dierbare Evangelie van een armen zondaar en een rijken Heiland te brengen, dat deze zuchtende wereld zoo broodnoodig heeft! En gij, mijn broeder! onttrek u niet onder allerlei, wellicht zelfs zeer vroom klinkende voorwendselen, aan den eisch van dit Evangelie dat u gebracht wordt! De wedergeboorte moge eene geheimenis zijn, de noodzakelijkheid er van is het toch niet. Laat ons daar ernst mede maken! Jezus alleen — dat moet meer en meer ons wachtwoord, ons levenswoord, en straks ook ons stervenswoord worden. Al onze geestelijke armoede, onze gedruktheid, onze dorheid (ach! wie onzer weet daar niet van mede te spreken?) komt hier vandaan dat wij dit groote, heerlijke middelpunt uit het oog verliezen, dat wij ons den blik op den levenden Christus laten verduisteren. En dan gaan wij 't vanzelf elders zoeken. Bij onze goede werken, of bij onze vrome vrienden, of bij onze lieve dominees, of bij wat ter wereld ook, maar in elk geval bij die wereld, waarvan wij eertijds zoo oprechtelijk konden zingen: „laat het vallen, laat het zinken, niets besta dan 's Heeren Raad." Alle goederen, zelfs de geestelijke, worden ons tot zonde en schaden