is toegevoegd aan uw favorieten.

De blijvende Heer daarboven (naar aanleiding van Romeinen 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ach, geheel de offerdienst, met zijn jaarlijks terugkeerende verzoening voor het gansche volk, van den hoogepriester af tot den bedelaar toe; met zijne priestérs zonder welke het volk, met het verzoenende bloed zonder hetwelk de priesters niet konden naderen — hoe droeg hét alles den stempel van het voorloopige, ontoereikende aan zich! Hoe riepen al deze gebrekkige, met zonde en schuld bedekte middelaars, met luider stemme om den waarachtigen, den blijvenden Hoogepriester, die niet met vreemd maar met zijn eigen bloed zou binnen gaan in het heiligdom, en die met ééne offerande eene eeuwige verzoening te weeg zou brengen.

Gemeente des Nieuwen Vei"bonds! dit alles moogt gij nu als vervuld beschouwen. Het smachtend verlangen der ware Israëliërs is verhoord, de Verlosser is tot Zion gekomen, en heeft de goddeloosheden afgewend van Jakob. Gij moogt u, ziende op uw Koning en Hoofd, laten aanspreken als »de gemeente Gods die te Leiden is, geheiligden in Christus Jezus, geroepene heiligen, met allen die den naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hunnen en onzen Heer." Gij hebt een Hoogepriester naar de ordening van Melchizedek, die voor eeuwig het voorhangsel heeft weggeschoven — en tóch, en tóch, blijft gij klagen: „o God, wees ons zondaren genadig!" en tóch moet gij zingen: „en wij belaan met euveldaan, wat zijn wij in zijn oogen ?" en tóch beseft gij het: daar is eene ongerechtigheid ook in en aan onze heilige dingen, ja het is alles onrein, en minder dan een wegwerpelijk kleed!

Dat geeft dat eigenaardig tweeslachtige aan geheel ons christelijk leven, hetwelk zij die er buiten staan onmogelijk kunnen begrijpen. Aan den éénen kant dat blijmoedige, dat alles aandurvende van het: „met mijnen God spring ik over eenen muur; ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft." Aan den anderen kant dat: „ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods'?" Moedig en toch zoo ootmoedig, groot en toch zoo klein, sterk en toch zoo zwak, alles kunnend en toch zoo niets vermogend — zietdaar de rechte stemming van Gods kind, zietdaar ook de beide bestanddeelen die onze gemeentelijke samenkomsten in het huis des gebeds beheerschen.

Wij spreken u als „gemeente des Heeren" aan, wij verkondigen u wat gij in Christus hebt, wij prediken u dat het alles, alles volbracht is, dat gij in Jezus' bloed gewasschen en gereinigd zijt — van dat alles, wat wij zoopas u hebben voorgehouden, gaat niets