is toegevoegd aan je favorieten.

Over inhoud en oorsprong van Israëls heilsverwachting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet alle Oud-Testamentici uit die betrekkelijk nog zoo kort achter ons liggende jaren gingen daarin mede. Ten onzent is o.a. Dr. G. Wildeboer, aan deze Universiteit zeker alles behalve vergeten, een dergenen geweest die met wijze bedachtzaamheid en juist inzicht daartegen hebben geprotesteerd.

Van beslissende uitwerking was echter in 1905 de studie van HüGO Gressmann: „Der Ursprung der Israëlitisch-jüdischen Eschatologie." Naar tijdsorde zou feitelijk H. Günkel het eerst moeten worden genoemd, maar Gressmann heeft het meest stelselmatig het geheele vraagstuk onderzocht en inderdaad nieuw licht ontstoken. Ook hij ging daarbij uit van de prediking van het gericht in het oudste profetisch geschrift, dat van Amos, den boeteprediker bij uitnemendheid; Amos toehoorders blijven doof voor diens stem, zij wijzen zijn oproep tot bekeering, zijn bedreiging met het gericht af door te verzekeren dat wel verre van onheil, de dag van Jahve, dit is klaarblijkelijk volgens hen een dag van glans en glorie voor Israël in 't verschiet is. Amos neemt dien term over maar keert hem in zijn tegendeel om: ja, verzekert hij de dag van Jahve komt, maar als een dag des gerichts, en dubbel zwaar over u, omdat Hij u heeft gekend uit alle geslachten des aardrijks. Nu heeft Amos en elke volgende profeet de voltrekking van het vonnis altijd verwacht door middel van menschen. Jahve geeft tot dat doel zijn volk over in de hand van natieën die het tuchtigen, eerst zijn het de Assyrier3, dan de Scythen, eindelijk de Babyloniers. Uiterst bevreemdend is echter, dat, terwijl zoo duidelijk menschelijke vijanden bedoeld zijn, geweldige natuurrampen worden aangekondigd: aardbevingen, vulkanische uitbarstingen en dergelijke. Dat was beeldspraak, verklaarde men — doch met deze bloote verklaring was het bevreemdende niet opgehelderd. Trouwens wanneer Zefanja ïijne profetie begint met de aankondiging — „wegrapen wil ik alles van den aardbodem, — zegt Jahve, — wegrapen mensch en dier, wegrapen de vogelen des hemels en de visschen- der zee", dan is beeldspraak zelfs buitengesloten en kan men niet nalaten te vragen: wat hebben de vogelen des hemels en de visschen der zee met Israels zonde en met Israels gericht te maken? Gressmann nu heeft zeer waarschijnlijk gemaakt, dat de profeten zich bedienen van een bestaande terminologie, een terminologie, thans voor een groot deel wel Palestijn sch gekleurd, doch die door den aard van onderscheidene der geteekende natuurrampen, en bovenal door den wereldwijden omvang uitheemsche herkomst verraadt, eene herkomst die naar Babylonie heenwijst. Daar toch werd de leer gehuldigd van de opeenvolging van wereldtijdperken, volgens welke ter gezetter tijd de oude Kosmos wordt weggevaagd om voor een nieuwe orde der dingen plaats te maken.

Dat deze voorstellingen Israël bekend zijn geweest, blijkt met zooveel woorden uit Jes. 65 :17 en 66:22, „want zie ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde", en kan ook niet verwonderen, aangezien Israël zelf Babylonië als het land zijner herkomst aanwijst, en in allen gevalle door zijn vestiging in Kanaan ingroeide in eene beschaving, welke van