is toegevoegd aan uw favorieten.

Over inhoud en oorsprong van Israëls heilsverwachting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Jes. 53 toch nog altijd met de christelijke gemeente vind in het woord en de persoon van hem, die van zich zeiven getuigde. ,,Ik ben niet gekomen om gediend te worden, doch om te dienen en mij zeiven te geven tot een losprijs voor velen." Ik ga daarop niet verder in; mijn onderwerp, dat immers van historischen aard is, dringt echter nog tot de vraag of ook hier uitheemse!)e voorstellingen aanleiding gegeven kunnen hebben, deze waarheid te eerder te grijpen, en haar zoo onder woorden te brengen als hier geschiedt. Uit de Assyrisch-Babylonische litteratuur blijkt dat bij bepaalde gelegenheid de. koning boete-psalmen uitspreekt, en wel als representant van zijn volk. Zelfs is er een verhaal van een lijdenden koning met ingevoegd klaaglied en schuldbekentenis, waarbij men sterker of zwakker aan Jes. 53 herinnerd wordt; in sommige overoude Sumerische boetpsalmen treedt de priester-koning als boetedoener op; de schuld van zijn volk ligt in tijden van nood op hem — en het lijden waarvan sprake is, is niet slechts lichamelijk maar ook geestelijk. De koning noemt zich bij die gelegenheid „Knecht en Kind van zijn God". (Jer. Handb. d. Alt. Or. Geistes Kult. bl. 180, 208).

Belangrijk is in dit opzicht wat prof. Böhl in Mimus en Drama op het Babylonisch Nieuwjaarfeest, Stemmen des Tijds 1920 meedeelt. Na gewezen te hebben op de treffende overeenkomst met het rituaal .van den Joodschen Verzoendag vervolgt hij: Op dienzelfden dag, den 5en Nisan, moet de koning als vertegenwoordiger des volks in 't heiligdom boete doèn; de hoogepriester ontdoet hem van scepter en kroon.... laat hem knielen en een lang boetgebed uitspreken waarin hij uit naam van het geheele volk zijn onschuld verzekert.

Verwantschap of niet — één ding blijkt hieruit duidelijk, dat in het land waar de dichter der '>i 'S liederen vertoefde, de lijdende knecht en de koninklijke heersoher elkaar niet alleen niet uitsluiten, doch samen kunnen vallen, en zoo zou ook dit kunnen dienen tot bevestiging van onze veronderstelling dat ook in Jes. 53 in den lijdenden Knecht van Jahve de Messias gevonden wordt.

Om nu het gezegde nog kort samen te vatten, wij kwamen tot deze slotsom: de heilsverwachting in Israël is oud, ouder dan de schrijvende profeten; daartoe dringt reeds de eigenaardige profetische stijl, die zonder die veronderstelling niet te verklaren is; ook de figuur van den Messias is veel ouder dan Jesaja, bij wien zoo velen haar het eerst meenden aan te treffen.

Waaruit echter — op die vraag zal men natuurlijk vooral neerkomen — waaruit is die verwachting, die zulke vergezichten opent, die Israël door de moeilijkste tijden heen heeft gedragen en gesterkt, die het tijdelijke, het uitwendige, het egoïstische en nationalistische zoo heeft losgelaten en de gansche historie der menschheid in het licht daarvan als een wondere schikking Gods aanziet, waaruit is zulke verwachting geboren ?

A. Kuenen verklaarde in zijn: Godsd. van Israël I. bl. 69 „de natuurlijke vrucht van der profeten Godsdienst is een onwankelbare hoop op Israëls toekomst." Maar daarmee is de vraag slechts verplaatst, niet