is toegevoegd aan uw favorieten.

Over inhoud en oorsprong van Israëls heilsverwachting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de grondleggende gebeurtenis van heel Israëls historie: de verbondssluiting bij den Sinaï. Feit of fictie — Israël leeft uit de gewisheid dat Jahve Israël tot zijn volk heeft verkoren, verkoren met een bijzondere bedoeling. Naarmate nu Israël zijn God beter leert kennen, verdiept zich ook het inzicht in Zijn wegen. Wanneer Jesaja in het uur zijner roeping den Heer ziet, zittende op een hoogen troon, — als Koning, als Heerscher dus, en hij de Seraphs hoort roepen: „Heilig, Heilig, Heilig is de Heer der heerscharen, de gansche aarde is van Zijne heerlijkheid vol", dan kan voor een aldus gestemden geest de bedoeling van „dien Heer der gansche aarde" niet beperkt zijn tot Israël alleen, en tot Israël als zoodanig, maar moet het einde van Gods wegen uitloopen op de erkenning Zijner heerschappij door de gansche wereld. En Israëls groote mannen, Israëls vromen, hebben hoe langer hoe klaarder ingezien, dat Israël alleen daarom door Jahve verkoren is, om als Zijn profeet de wereld tot deze erkenning te brengen.

Dat besef nu is in het uur van zijn roeping Jesaja niet bijgebracht door uit den vreemde overgenomen termen, ook al mocht hij zulke gebruiken, doch uit zielservaringen, die voor zijn gansche leven beslissend zijn geweest, ervaringen die zoowel bij hem, als bij de andere profeten aansluiten aan, voortbouwen op dit ééne alles beslissende feit, Gods verbond met Israël. Bij hun beoordeeling van Israël, bij hun boeteprediking, bij hun strafgericht gaan zij daarvan uit. Maar ook, in datzelfde verbond lag evenzeer de belofte opgesloten. Aan het verbond te denken, was herinneren aan de belofte daarin verzegeld; en wanneer Israël door zijn ongeloof en ontrouw de vervulling dier belofte verbeurd heeft, dan zal, getuigt Jeremia, die. God, die „niet laat varen het werk Zijner handen", een nieuw verbond met Israël maken, op hechter grondslag dan het oude en dat wederom uitgangspunt van nieuwe, of juister van de oude, beloften zal zijn.

Het heeft mij bevreemd, dat voorzoover mij bekend, niemand in dit verband heeft gewezen op den sterken eschatologischen zin van den Godsnaam Jahve. Zooals de Elohistische auteur van Exodus 3 dien uitlegt als: „Ik zal zijn, die Ik ben", is hij enkel belofte. Israël kan dien naam niet noemen of het hoort daarin een onbegrensde volheid van heil zich toegezegd. Ook daarin, dat die naam min of meer geheimzinnig klinkt, omsluierd aandoet, sluit hij zich bij den stijl der toekomstverwachtingen aan. Wellicht keert ook daarom in de profetische toezegging het "i nb „aldus spreekt Jahve," zoo dikwijls terug, omdat in dien naam altijd opnieuw de heenwijzing naar de toekomst gegeven is en zoo een voortdurende bevestiging van wat in het verbond besloten lag.

En hoe oordeelt gij nu over de waarde dezer verwachting? zullen sommigen, uwer misschien ten slotte nog willen vragen. Een wetenschappelijk — in dit geval een historisch onderzoek behoeft en kan niet verder gaan dan zoo ver mogelijk den weg naspeuren langs welken een bepaalde voorstelling of gedachte ons heeft bereikt, doch het laatste en beslissende antwoord is niet langs dezen weg te verkrijgen.