Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.Wij mogen dunkt mij veilig vooropstellen, dat aan een zoo bijzonder gevolg een even bijzondere oorzaak moet voorafgaan.

Renan's oplossing van dit vraagstuk, die uit een bijsonder godsdienstig instinct van het Semietische ras en van het Israëlietische volk in 't bijzonder de geschiedenis van Israëls godsdienst wilde afleiden, is lang losgelaten. Die theorie streed te zeer met schier elke bladzijde van het O. T. Als ooit een volk tot veelgodendom, exclusivisme, werkheiligheid, letterknechterij neigde dan Israël en desniettemin is het de héraut en de drager geweest van juist het tegendeel van dat alles. Evenmin bevredigt de verklaring, welke alle heilsverwachting exilisch acht en enkel psychologisch uit idealiseering en terugwensching van het verledene afleidt. Zij is immers veel ouder, en wraakt dus ook deze oplossing.

Maar dat zal men ook nooit kunnen verklaren, verzekeren anderen, dat behoort tot de geheimenissen van den menschelijken geest, waarnaar maar beter niet verder wordt gevorscht.

De profeten zelf echter spreken hier niet van een mysterie; kort en klaar verzekeren zij, dat God tot hen heeft gesproken en wel zoo zeker en onweerstaanbaar, dat als zij zwijgen, het als een vuur in hen zou branden (Jer. 20 : 9).

Zoo hebben deze mannen, erkent B. Stade (Bibl. Theol. A. T. blz. 124) het inderdaad gevoeld, doch een juister zielkundig inzicht zou hen zich juister hebben doen uitdrukken. Er heeft bij hen een bewustzijnssplitsing plaats, en het van het Gesamt-Ich afgescheiden tweede, of profetische Ik, neemt de gestalte van een voorwerp des geloofs aan, van een buiten en boven hen staande macht, die hen inspireert.

Ongetwijfeld geven de profeten geen blijk deze zielkundige theorie te kennen, wel weten zij heel goed te onderscheiden tusschen de ingevingen en overleggingen van het eigen hart en hetgeen God tot hen spreekt. Eigenlijk is het onvruchtbaar hier quasi-wetenschappelijk verder te redeneeren; feitelijk zijn wij hier aangeland bij een punt, waar de wetenschap zich een grens gesteld ziet, die zij niet kan en niet mag overschrijden, en wie dan toch een antwoord verlangt, zal er in moeten berusten, dat geloofsovertuigingen deze taak overnemen. Voor wien God eene werkelijkheid is, de werkelijkheid van het eigen leven, die waagt dat laatste antwoord te geven; in agnosticisme kan hij niet berusten; want hij kan zich niet voorstellen, dat in die aangelegenheden, waarin naar zijn innige overtuiging God en zijn eigen persoon, of de menschheid in haar geheel zijn betrokken, men nooit tot deze laatste en hoogste oorzaak, ook ter verklaring, zou mogen opklimmen.

Het schoone woord van den Psalmdichter: „zoude Hij die het oor plant niet hooren, die het oog formeert, niet aanschouwen ? vult hij aan met: en zou Hij die de lippen vormde, zelve niet spreken"? hij ziet. in Israël een werk Gods gaande dat het heil der gansche wereld bedoelt en voorbereidt en waaromtrent hij met diep ontzag herhaalt het woord van Paulus, in een gelijksoortig verband gesproken:

„O, diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Gods" I;

Sluiten