Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

critici volgden hem daarin. Ook de brief aan de Kolossen zen werd door Holtzmann en anderen, geheel of gedeeltelijk, daaraan toegevoegd. In de „Openbaring" kon men over het algemeen het werk van den Joden-apostel Johannes niet meer terugvinden. Wat de synoptische quaestie aangaat, heeft de Markus-hypothese, die in Markus niet den jongsten, maar den oudsten der drie Evangelisten ziet, eene groote omwenteling in de critiek der Evangeliën teweeg gebracht. Dat het verschil tusschen Hand. 15 en Gal. 2 zoo groot niet is, als in den bloeitijd der Tubingsche theorie bijna algemeen werd aangenomen, is door Pfleiderer, Weiszacker en anderen zonneklaar aangetoond; terwijl de vraag, of de judaïstische partij zich terecht op de twaalve kon beroepen, bijkans door niemand meer met ja beantwoord wordt.

Wat ons land aangaat, lang heeft het geduurd, voordat de critiek van Baur hier vasten voet kreeg. In 1856 gaf S c h o 11 e n eene Historisch-hitische Inleiding tot de Schriften des N. Testaments," waarin nog de echtheid van het vierde Evangelie en van al de paulinische brieven wordt gehandhaafd. Eerst in 1864 bij de uitgave van „Het Evangelie naar Johannes;" en vooral in 1870, toen „Het Paulinisch Evangelie" in het licht verscheen, bleek het hoezeer hij, al was het dan, zooals Kuenen in zijne levensbeschrijving terecht zegt 1), op zelfstandige wijze en met niet onbelangrijke afwijkingen, voor de Tubingsche critiek was gewonnen.

Sinds was, althans voor de zoogenaamde moderne theolo-

1) Zie zijn Levensbericht van J. H. Scholten (in de Levensberichten der afgestorvene medeleden van de Maatscliappij der Ned. Letterkunde, 1886) blz. 30.

Sluiten