Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over dingen waarvan hij geen verstand heeft, en allerminst met een air van voornaam „ geloof" op al die exegetische en critische „liefhebberijen" nederziet.

Het geloof staat waarlijk te hoog om als stormram tegen de wetenschap gebruikt te worden. O zeker, het heeft zijne beteekenis ook bij wetenschappelijk, ook bij critisch en exegetisch onderzoek, 'tls niet toevallig — ik herhaal bet — dat juist bij hen die het geloof aan het wonder 1) hadden laten varen, de Tubingsche theorie zooveel instemming en toejuiching heeft gevonden. Van het standpunt waarop men in geloofszaken staat hangt ontzaglijk veel af, zoowel wat den indruk betreft, dien men van de evangelische geschiedenis ontvangt, als ook, en juist daardoor, wat het oordeel aangaat, dat men over de oorkonden dier geschiedenis velt. Zoo oefent dan het geloof wel degelijk invloed uit. Maar die invloed is zijdelingsch, niet rechtstreeksch. Eigenlijk gaat hij niet van het geloof, maar van den geloovige uit, in wien het geloof een leven is geworden, dat verstand, gevoel en wil doordringt, en daardoor aan al wat de mensch is en doet eene bepaalde richting geeft. Daarom kan men ook niet van eene geloovige wetenschap of eene geloovige critiek, maar alleen van de wetenschap van den geloovige, van de critiek van den geloovige spreken.

1) Met opzet zeg ik: het geloof aan het wonder. Men kan menig wonder als onhistorisch, menig wonderverhaal als ongeloofwaardig verwerpen , zonder daarom de mogelijkheid van het wonder te loochenen. Alleen die loochening is het gevaarlijke element in de critiek van het N. Testament. Maak iets door uwe critiek zóó waarschijnlijk, als het uit een historisch oogpunt kan gemaakt worden, zoodat het aan zekerheid grenst, tegenover het: onmogelijk! moet gij het altijd verliezen.

Sluiten