is toegevoegd aan je favorieten.

Wedergeboorte en bekeering en beider verband volgens de gereform. godgeleerden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorschijn te brengen, is de aanwezigheid der hebbelijkheid niet genoeg; neen, evenzeer als voorkomende en werkende, is vergezellende en medewerkende genade noodig om de daden der bekeering uit te brengen.

Voorts Disp. XLIV. In allen, die te doopen zijn, vorderen wij van te voren met de Schrift: geloof en bekeering, altijd naar 't oordeel der liefde. Ook in de kinderen; in welke wij uit kracht van den Goddelpen zegen en van 't Evangelisch verbond, het zaad en den Geest des geloofs en der bekeering stellen. Er gaat echter wel eens wat tijd over heen, vóór dit zaad uitspruit; vele in hun kindsheid gedoopten, die voor een üjd niet wel leven. Overigens te bedenken: Rom. 9 : 8.

En nu komen wij tot hem, die in deze eeuw, ook op dit stuk, een colossus is, namelijk Voetius. Helder, duidelijk, scherp, heeft hij naar alle kanten deze dingen uitgewerkt. Wij nemen, om het te bezien, zijn tractaat over „de uitverkorenen vóór hun bekeering" (de Statu electorum ante conversionem).

Wedergeborenen noemt hij vier soorten : 1. de in 't verbond Gods geborenen ; van de baarmoeder geheiligd. 1 Cor. 7 : 14 strekt hij uit tot de inklevende heiligheid (anders Maresius: op heilig erf geplaatst). Ingestorte of ingewrochte geestelijke genade deelachtig. Geen actus secundus (tweede daad). Ook niet hebbelijkheid (habitus) te noemen. Maar zaad en wortel van geloof, hoop en liefde.

2. Degenen bij wie bovendien, onder een godvruchtige opvoeding, in de gemeenschap der kerk, die genade, dooiden H. G. opgewekt, zich openbaart in zekere onvolkomene -bewegingen des harten. Hierover spreekt hij zeer schoon. Daar is soms opmerking van de hand en de oordeslen Gods; kinderlijke prikkelingen en bewegingen tegen de