Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daden der bekeering, n.1. geloof, droefheid naar God uit liefde tot God, zinsverandering, vernieuwing derbedorvene natuur, in welke dingen de H. Geest is een Geest der aan! neming tot kinderen. De mensch hierin puur passief, de eerstelingen der bekeerende genade ontvangende, niet ze uit zich voortbrengende of krachtig makende

Hij noemt daar bekeering = roeping. Hij zegt:dete7t> mafang wordt ook wel bekeering genoemd (hij bedoelt ia den zin van * haten en vlieden der zonde, en lust tot en t doen. van 't goede); en ook wel wedergeboorte nl iü ruimeren zin genomen.

De noodzakelijkheid der goede weiken geldt voor de volwassenen. De kinderen der geloovigen worden zonder goede werken behouden (gelijk zij ook zonder eigenlijk gezegde dadelijke zonde, zondaars waren); al ia 't ook niet zonder neiging (inclinatio) er toe door de genade der wedergeboorte. 1

De kinderen. Ten opzichte van den doop, genoegzaam, dat t geloof en de belijdenis daarvan bij hen volgen, zé worden ook niet volstrektelijk zonder geloof gedoopt nl op t geloof hunner ouders; en opgroeiende worden ze'door' de herdenking van hun doop opgewekt tot boetvaardigheid en daden des geloofs. Hij laat de mogelijkheid open van de zaken, die Voetius bijv. stelt, maar vindt in de Schrift geen grond om het bepaald te veronderstellen

Beslist op de lijn van Voetius daarentegen, beweegt zich m de laatste helft der 17e eeuw, Mastricht. Zie Beschouwende en Praktikale Godgeleerdtheit Hl. pa* 175' 197 221, 228, 263. De daden der heih^a^ d or welke de H. Geest de toepassing der rantsoenveriossing teweegbrengt, zijn drie : 1. de roeping: aanbieding, voorstel hng der verlossing, lokking. 2. de wedergeboorte: toe-

14*

Sluiten