Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neerden dienst; en te dienen naar zijne wijze, in gemeenschap met al zijn volk. Zie — alle diegenen, die daar hun hartelijke genegenheid betoonden en hun voornemen, om den Heere te mogen ontmoeten in den van Hem verordineerden weg, en door zijné gunst voor zijn aangezicht te leven; die allen waren den psalmist tot blijdschap. Dat deed zijn hart zoo goed. Het was een blijdschap om des Heeren wil: want de Heere wordt er in verheerlijkt, wanneer er een volk is, dat naar zijne ordinantiën, in den weg der van Hem verordende middelen, naar Hem vraagt, en in 't huis Gods recht begeert te verkeeren. Dat komt den Heere toe. Daarom was dit hier een verheuging om des Heeren wil. Maar 't was ook een blijdschap, om den wille van al die broederen, die in zulk een goeden, hun zegen aanbrengenden weg waren; die naar het gebod den God van Israël zochten. Wel, wat groeide deze blijdschap dan op den wortel der liefde Gods en der broederen. Wat een navolgenswaardige blijdschap: „Ik verblijde mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan." Gezegend het volk, in welks hart die blijdschap leeft. Gezegend degene, wiens hart opspringt en wiens oog tintelt, wanneer men zich opmaakt, om in 'thuis des Heeren, naar zijnen wil, te verkeeren. Gezegend hij — want het is klaar, dat de dienenswaardigheid en eere Gods hem op de ziele gebonden is, en dat hij Zion niet gram is. Hij heeft'de kenmerken van een Zioniet, even goed als degene, die hier uitriep: „Ik verblijde mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des Heeren gaan."

Het wonderlijkste van de zaak is altijd, dat, terwijl onze ziele verdorren moet, wanneer we bloot ons zeiven zoeken, ook wanneer we eenzijdig ons eigen geestelijk welvaren, gelijk wij 't verstaan, op 't oog hebben, daarentegen onze ziele opleeft, Wanneer wij ons verheugen in degenen, die naar den mond des Heeren vragen. Zie dat hier aan den psalmist. De blijdschap vanwege den goeden, God ver heerlijkenden weg, waarin de •broederen wandelen, doet hem de eenigheid gevoelen, die hij met hen heeft, en doet hem beseffen 't gemeenschappelijk voorrecht» dat nu hun deel is. Immers, als één hunner roept hij verheugd

Sluiten