Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze in elkander niet willen uitwisschen. De een kan den ander niet missen. Alleen samen zijn ze Israël. Want het zijn de stemmen des Heeren. Ziedaar hun éénheid. De Heere heeft ze geëigend. Zijn Naam op hen gelegd. Zijne woorden hun geschonken. Zijn Geest hun gegeven. Ze allen gehouwen uit den rotssteen, gegraven uit de holligheid des bornputs. Maar hoe blijkt dat nu, dat ze waarlijk des Heeren zijn? Waaraan merkt ge dat nu, dat het de stammen van Israëls God zijn ? Waar ziet ge hunne éénheid in, die ze vanboven hebben? Hierin, dat ze zich allen naar de arke Gods wenden, waar de Heere in genade woont op 't verzoendeksel, en Hij een volk tot zich brengt in 't bloed des verbonds, en aan Jakob zijne woorden bekend maakt, aan Israël zijne inzettingen en rechten. „Waarheen de stammen opgaan, de stammen des Heeren, tot de getuigenis Israëls. O, ontbreke dat kenmerk bij ons persoonlijk niet.

En wat doen ze daar nu aan de plaatse des heiligdoms, in de tegenwoordigheid huns Gods? Waartoe komen ze daar? Hoe vat ge in één enkel woord samen al wat tot de vreeze, al wat tot den dienst van God behoort? In dit woord: om den Naam des Heeren te danken. D. w. z. Hem te belijden, te erkennen voor die Hij is, gelijk Hij zich zeiven aan ons te kennen geeft in zijn Naam, waartoe alles behoort wat Hij aangaande zich zei ven aan zijn volk geopenbaard heeft. Is de geheelè dienst van God in woord en werk, iets anders dan een erkenning van den Heere voor die Hij is? Gewis, 't sluit ook in zich een erkenning van den Heere voor ontvangene weldaden; het danken in engeren zin: maar we moeten 't hier in ruimeren zin nemen; alle aanroeping, belijdenis en erkenning van den Naam des Heeren is er in begrepen. Ook 't vluchten en zuchten van de ziel, door hare Zonden bezwaard en onder 't recht des Heeren verbroken, ook 't kermen van de benauwden en gedrukten tot den God der verlossingen is een erkennen van den Heere, voor die Hij is, is een belijden van zijn Naam, is een verzegelen, dat God waarachtig is, en behoort tot dit danken dat hier bedoeld wordt. En dat nu die hartelijke erkenning van den Heere, door zijne bondelingen, voor die Hij is, het hartelijke amen zeggen der ziele op 'tgeen God aangaande zich zeiven ons geopenbaard

Sluiten