Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeren door Jeremia? „Zoudt gij regeeren, omdat gij u mengt met den ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, [en] het ging hem toen wel? Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht; toen ging het [hem] wel. Is dat niet Mij te kennen? spreekt de Heere" (vs. 15, 16.)

Als een held heeft de man Gods, Jeremia, koning en edelen, priesters en volk bestraft, als een koperen muur en ijzeren pilaar (Jerem. 1:18). De profeet heeft den koning, wiens oog en hart slechts op schraapzucht gericht was, op onschuldig bloed om dat te vergieten, op verdrukking en overlast, om die te doen (vs. 17), zijn smadelijk einde aangekondigd. Nebucadnezar heeft hem met twee koperen ketenen gebonden, om hem naar Babel te voeren (2 Kron. 36 : 6). Dat schijnt er wel niet van gekomen te zijn; maar hij is toch met een ezelsbegrafenis begraven, en zijn dood lichaam is gesleept, en verre weg geworpen van de poorten van Jeruzalem (vs. 19. 2 Kon. 24 : 1—6.)

Nu had Jojakim een zoon, Jojachin, ook wel gelijk hier bij Jeremia Chónja genaamd. Een jongeling was hij nu, troonopvolger, misschien van zijn achtste jaar af al in naam mederegent met zijn vader (2 Kron. 36:9), dien hij zou opvolgen toen hij achttien jaren oud was. (2 Kon. 24 : 8). Zeker wel de lieveling van 't volk; in weelde groot gebracht, en ook reeds doorkankerd en in zijn gemoed vergiftigd door den boozen bovendrijvenden geest van verzet tegen de vreeze des Heeren. 't Is of die jongeling Jeremia bijzonder ter harte gaat. Maar de profeet ziet toch, hoe droevig 't ook met hem afloopen zal. Hij heeft dan later ook maar drie maanden en tien dagen geregeerd. Hij heeft zich moeten overgeven met zijn moeder, zijn vrouwen en kinderen en de edelen en handwerkslieden des lands aan Nebucadnezar (2 Kon. 24 : 8—16. 2 Kron. 36 :9,10). Zevenendertig jaren heeft hij in de gevangenis te Babel moeten zuchten. Toen is hij als een gebroken man door Evilmerodach, koning van Babel, uit 't gevangenhuis verlost en vriendelijk behandeld, en met een eereplaats onder de hovelingen begiftigd (2 Kon. 25 : 27 vv.). Die dingen zag de profeet komen. Zijn hart bloedt over dien jongeling, En hij heeft toch het woord des

Sluiten