Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heeren te spreken: [Zoo waarachtig als] Ik leef, Ik zal u uit uw cederen nesten, die gij u bouwt, als een Libanon, wegrukken, ofschoon Chonja, de zoon van Jojakim, den koning van Juda, een zegelring ware aan mijne rechterhand, spreekt de Heere (vs. 24). En Jeremia klaagt: „Is dan deze man Chonja een veracht, verstrooid afgodisch beeld, of is hij een vat, waaraan men geenen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja weggeworpen in een land, dat zij niet kennen ?" ... Waarom zal hij als een kinderlooze zijn, en niemand hebben, die op Davids troon zitte? (vs. 28, 30).

In dit verband perst het op in des profeten ziel: „O land, land, land! hoor des Heeren woord".

Dit komt voort uit innerlijke bewegingen van barmhartigheid. Zulke mannen zijn door alle tijden heen wel miskend, omdat ze tegen den stroom van de algemeene opinie ingingen, en omdat ze de zonden aanwezen en bestraften, omdat ze niet mee afdreven op den stroom van het gelijkvloersche leven, omdat ze met profetischen blik zagen, waar de afwijking van Gods ordinantiën op uit moest loopen, omdat ze de gerichten Gods aankondigden. De profeten Gods hebben het volk Gods, hebben Israël, liefgehad. Ze hebben ook den naaste in 't gemeen liefgehad. Ze hebben Gods wet vervuld. Maar de massa en de overheden over 't geheel verstonden hen niet. Hun woord en werk ging tegen der menschen genegenheden in. Ze zijn gehaat. Ofschoon ze niet alleen de menschen en 't volk Gods in 't gemeen, maar ook 't volk bepaald van hunnen tijd hebben liefgehad met een brandende liefde. Er was iets van Mozes, en iets van den Middelaar Jezus Christus in hen. „Och, dit volk heeft eene groote zonde gezondigd... Nu dan, indien Gij hunne zonden vergeven zult. Doch zoo niet, zoo delg mij nu uit uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt". (Exod. 32 : 31, 32). Maar zulke menschen zijn door de bovendrijvende partij meestal beschouwd en behandeld als volksvijanden. Een Jeremia, die tranenbeken gestort heeft over den ondergang van zijn volk, die gewaarschuwd heeft tegen de gebroken rietstaven, waarop koningen, overheden en volk wilden vertrouwen, die van de zonden afmaande, die machtig 't overblijf-

Sluiten