Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stroom met kracht aanbrulschende, opwelling der liefde in 't hart van den profeet, waarin toch ook de liefde Gods tot zijn Israël uitkomt. Een liefde, die zich uitstrekt tot het in geestelijken slaap verzonken volk. Het ziet niet wat roede en wat oordeel Gods het over zich bereidt. Het verstaat de teekenen der tijden niet; het hoort niet naar de woorden Gods. Het glijdt af op het hellend vlak van ongeestelijkheid, van verlating van den Heere, van den eigenwilligen zondigen handel en wandel. Och, af het wakker te schudden ware! „O land, land, land!"

Voorts. In hun geestelijke slaapzucht, hoewel ze wakker zijn om kwaad te doen, merken ze niet, dat in 't onheil, hetwelk reeds over Davids eertijds zoo glorievol huis is aangebroken, en dat zich nog verder ontplooien zal, hun zonde, des volks zonde, bezocht wordt. Ze zien op den geduchten Nebucadnezar; ze morren over Pharaö's traagheid om hen te helpen; ze zien misschien op de naar hun oordeel minder wijze en politieke gangen van hun vorsten en overheden. Ieder van hen is dapper in 't beredeneeren van de wegen die in te slaan, zijn tot redding van 't land, Maar o land, land, land, waarom is 't toch, dat Sallum in ketenen naar Egypte is, en"*niet weer terug zal komen ? Waarom is 't toch, dat Jojakim, die 't woord Gods versnijdt en in 't vuur werpt, in zijn dood als 't lichaam van een ezel weggeworpen zal worden? Waarotri is 't toch, dat uw lieveling en trots, die jongeling, Chonja, naar Babel weggeworpen zal worden, en schier zijn leven lang in de gevangenis zal zuchten, en 't met Davids troon uit zalfzijn ? Is 't dan alleen om zijne zonde? Is hij dan zoo'n vat waar men geenen lust aan heeft? O volk, steek toch de hand in eigen boezem! Uwe afwijking van God, uwe zonde maakt deze roede gereed. O land, land, land!

Eindelijk: O land, land, land! hoor des Heeren woord. Dat is maar niet 't woord, 't welk er onmiddellijk op volgt, over het lot van Chonja en zijn geslacht. Maar dat woord des Heeren is: heel de Godsregeering in hun volkshistorie van dien tijd. En 't is dat woord, dat God spreekt in hetgeen er geschiedt aan land en volk en geschieden zal aan kroon en troon, aan stad en tempel, dat woord dat God

Sluiten