Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij weet, wat toen beproefd is, naar den goddeloozen raad van Bileam. Israël te doen hoereeren met de dochteren Midians, en ze daardoor te koppelen aan den dienst hunner afgoden. Voelt ge wel, dat daardoor precies hetzelfde beoogd werd, als Balak ook oorspronkelijk wilde? Namelijk de gunst van Jehovah over dat volk in ongunst te verarfderen? Den hemel om te zetten? Wat men eerst tevergeefs rechtstreeks beproefd had bij Jehovah uit te werken, door een profeet, door offeranden enz., dat beproefde men nu zijdelings te verkrijgen, op zeer satanische manier, door 't volk stinkende te maken in de neusgaten van een heilig God. Het was dezelfde aanval, maar nu op andere manier herhaald. Hier kunt ge ook meê vergelijken de duivelsche blijdschap, die er bij de goddeloozen wezen kan, als de godvreezenden of die daarvoor gehouden worden, verleid worden en in zonde vallen. Dat komt, dat er dan een besef door hun goddelooze ziel trilt: „nu zijn ze hun God kwijt: nu hebben ze den hemel tegen. Heah! we hebben hen overmocht." Dat is nog een stilzwijgend, of liever aan hun consciëntie ontwrongen getuigenis, dat ze geven aan de hooge bestemming en heilige roeping van 't volk des Heeren, en aan de heiligheid Gods.

Maar — ofschoon die laatste aanslag, op Bileams helschen raad ondernomen, maar altewei scheen te gelukken, zoo had de hel zich toch ook nu verrekend. Want uit de schatten van Gods eeuwige deugden is wel vernielende verbolgenheid voortgekomen over wie zich aan Baal-Peor hadden gekoppeld; maar is ook overwinnende genade voortgekomen, waardoor het overblijfsel verwakkerd is, 't booze uit hun midden weg te doen, wier vertegenwoordiger Pinehas is. En het is hem gerekend tot gerechtigheid.

Laten we echter eens vragen: was er voor Moab gegronde reden, om zoo te vreezen voor Israël, en zulk een huivering en afkeer te gevoelen van Israël? Eigenlijk niet. Want Israël benauwde Moab niet. God had gesproken: (Deut. 2 .- 9) „Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geene erfenis van hun land geven, dewijl Ik

Sluiten