Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wéér. Laat ik u brengen naar de hoogte van Peor. 't Was een bergtop, waarmeê ongetwijfeld de dienst van Baal-Peor in verband stond. Vandaar had men een klaar uitzicht op de woestijn, d. i. op de vlakke velden van Moab, en kon men de tenten van al de stammen Israëls zich zien uitbreiden. „Misschien (zegt hij) zal het recht zijn in de oogen van dien God, dat gij het mij van daar vervloekt." Wederom op zeven altaren de gewone offerande gebracht.

Maar ditmaal ging Bileam niet meer heen tot zijne tooverijen. God legde des mans onverstand een teugel aan. Hij „zag dat het goed was in de oogen des Heeren, dat hij Israël zegende." Hij voelde, dat er niets aan te doen was. En, nu het toch verhinderd is, dat hij Balak den begeerden dienst zou bewijzen, nu het geval toch zóó staat, nu is het, alsof hij er zelf eenig behagen in krijgt, dat Balak met al zijn goud en zilver tegen hem, als profeet Gods, niets vermag. Ook dat is, menschkundig en zielkundig, best verklaarbaar. Nu er toch geen kans is, dat hij Balaks begeerte doe, nu heeft hij er zelf eenig behagen in, zich als een gewichtig man tegenover Balak te doen gelden. Vandaar dan ook, dat in de nu volgende profetie hij zichzelven aandient met een gezwollene rede als een, die de geheimenissen Gods aanschouwt. Niettemin — zijn hart mag er bij opgezwollen zijn, maar het neemt niet weg: 't is toch waarheid Gods, wat hij zegt. Gods bedoeling er meê, was: autoriteit te geven aan het woord, dat uit Bileams mond uitging, en in 't algemeen, dit bij ons teweeg te brengen, dat wij uit den mond des priesters de wet zullen zoeken: want hij is een engel des Heeren der heirscharen (Mal. 2 : 7).

Ja, 't schijnt wel, dat hier nog krachtiger inwerking van God op hem plaats had, dan vroeger. In 't vorige lezen wij: de Heere leide het woord in zijnen mond. Hier lezen wij: „de Geest van God was op hem", toen hij zijne oogen ophief, en Israël zag, daar in de woestijn gelegerd, wonende naar zijne stammen.

Bileam, de zoon van Beor, spreekt.

Sluiten