Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De inleiding tot deze vierde en laatste profetie is ongeveer gelijk aan die der vorige.

Toen hief hij zijne spreuk op, en zeide:

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,

En die man, wien de oogen geopend zijn, spreekt.

De hoorder der redenen Gods spreekt,

En die de wetenschap des Allerhoogsten weet;

Die het gezicht des Almachtigen ziet, Die verrukt wordt, en wien de oogen ontdekt worden. En daar barst hij op eens, als door een glansrijke verschijning in verrukking gebracht, uit! Hij ziet in Israël iemand opkomen; hij noemt, dien hij ziet opkomen: hem, nog voor hij dien nader beschrijft. Hij ziet dien: „hem", opkomen, niet nu, maar later, in de toekomst; hij aanschouwt hem niet van nabij, maar in het verschiet, verre. Daar zullen nog eeuwen over heen gaan, vóór het komt.

Wat ziet hij dan eigenlijk? Hij ziet het huis van David opkomen: het Koninklijk huis, de glorie van Israël; de groote gave van Israëls God aan zijn volk. Maar ter laatste instantie is 't eigenlijk de Zone Davids, dien hij ziet opkomen. Hoort maar.

Ik zal hem zien, maar nu niet;

Ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij.

Er zal een ster voortgaan uit Jakob, En er zal een scepter uit Israël opkomen. Wij weten 't, dat de ster altijd beeld was van glansrijke koningsheerschappij. Daar ziet Bileam nu Hem, ter laatste instantie, opkomen, wiens ster de wijzen meer dan duizend jaren later in het Oosten zagen. Wat volgt er?

Die zal de palen der Moabieten verslaan, En zal al de kinderen van Seth verstoren.

Sluiten