Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schitterenden redenaar en Staatsman, den godvruchtigen mensch. Groote weemoed, omdat, al heeft God hem een leven geschonken, langer dan volgens de Schriftuurwoorden 's menschen jaren zijn, thans is heengegaan een man, gelijk 't vaderland slechts weinigen kende. Niet dan noode doen wij afstand van een reus als Kuyper. Wie zal het wagen, nog wel in een kort bestek, de leegte te schetsen, welke het heengaan van dezen geest laat?

Voor zijn overweldigende eigenschappen past slechts een eerbiedig zwijgen. Jaren zullen verstrijken, voordat de man, die thans ten grave daalt, naar juistheid kan worden gericht. Zijn tijdgenooten moeten dat aan het nageslacht overdragen. Niet van nabij is monumentale grootheid te schatten. Ons past slechts met ootmoedige berusting in Gods wil de verzuchting: daar is een groot man heengegaan.

„Moge zijn beeld in onze herinnering staan als dat van een fieren, vrijen, franken vaderlander."

Met dezen wensch besloot de Voorzitter, de heer Dr. Kooien, de warme woorden van herinnering, bij den aanvang der vergadering aan de nagedachtenis van Dr. Kuyper gewijd. En de Voorzitter van den Raad van Ministers, de heer Jhr. Mr. Ruys de Beerenbrouck, eindigde zijn hartelijke rede met den passus: „Ons past slechts met ootmoedige berusting in Gods wil de verzuchting te stamelen: een groot man is heengegaan."

Nauwer geestverwanten, mannen, die met onzen verscheiden hoofdredacteur en partijleider, zegt de Kameroverzichtschrijver van De Standaard, in strenger confessioneelen zin geest-1 verwant zijn, zouden het allicht nog eenigszins anders gezegd hebben, 't Valt toch op, in al het waardeerende, dat men in deze dagen uit meer of minder bevrienden mond hoort of in verder of naderbij staande pers leest van Dr. Kuyper — hoe weinigen in den grond de levensovertuiging van onzen dierbaren doode verstaan. Géén begrijpt, dat hier toch eigenlijk niet sprake is van „een groot man", die met meer of minder gebreken, een grootsch werk, al dan niet blijvende, wrocht. Niemand hunner, die het verstaat, dat wij danken een groot, almachtig God, die Zijn werk door een zwak, schoon door Hem zeldzaam begaafd instrument heeft gewerkt ten zegen van Zijn volk.

't Is er dus verre vandaan, dat het Antirevolutionaire Volk Dr. Kuyper „afgodisch heeft vereerd", al had het hem lief; dat het in hem „den Messias" zag, al heeft het God gedankt voor dezen door Hem gegeven „leider". Maar gelukkig, zóó klonk de toon dien middag in de Kamer niet, al werd ook daar te veel van den mensch en te weinig van God gesproken. Hij, die aan Dr. Kuyper zijn talenten uitdeelde en dien met méér dan vijf talenten bedeelden man aan het Nederlandsche volk in 't algemeen, aan de

Sluiten