Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overwint en den nieuwen lichttijd en de nieuwe wereldlente brengt; maar deze god is feitelijk niets anders dan eene verpersoonlijking der natuurkracht, en daarom is zijne vermelding slechts eene bevestiging van het natuur-mythologisch karakter dezer verwachtingen.

Geheel anders staat het bij Israël. Ook hier is in de toekomstschilderingen der profeten ongetwijfeld sprake van een beven der aarde, en een bewogen worden des hemels, van verduistering der hemellichamen, van storm en onweder, en zooveel meer; maar dit alles heeft een geheel andere beteekenis. De veranderingen in de natuur staan hier geenszins in het middelpunt en vormen niet de hoofdzaak — van ondergang en vernieuwing der wereld is in het Oude Testament zelfs zeer weinig sprake — maar alles wordt hier beheerscht door dit ééne geweldige getuigenis: Jehova komt!

Jehova komt! Uit Zijnen mond, en niet uit de waarneming van den loop der sterren hebben de heilige mannen Gods het woord ontvangen, dat zij spreken; daarom is het ook van Hem, dat zij getuigen. Hij is het, die zal komen temidden dier geweldige beroeringen der natuur; Hij, bij wiens verschijning de bergen smelten gelijk was door het vuur (Micha 1 : 4), aarde en hemel beroerd worden, en zon, maan en sterren haar licht niet meer geven (Joel 2 : 10). Daarom wordt de dag, waarop dit alles zal plaatsgrijpen, genoemd de dag van Jehova, d. i. de dag, die toebehoort aan Hem en aan het groote werk, dat Hij volbrengen zal.

Wel is Jehova thans reeds in Israels midden, en heeft Hij zich inzonderheid op den Sion eene plaats om te wonen bereid. Maar anderzijds wordt toch op allerlei wijze uitgesproken, dat dit wonen van Jehova in het midden Zijns volks slechts gebrekkig en ten deele is. Zijne eigenlijke woonplaats is niet op aarde, maar in den hemel: van hier uit openbaart Hij zich aan de patriarchen (Gen. 21 ; 17; 22 : 11 ; 28: 12), en daalt Hij neder op Sinaï (Ex. 19 : 11). Wel vervult Hij hemel en aarde (Jer. 23 : 24), maar dan is toch de hemel Zijn troon en de aarde slechts de voetbank Zijner voeten (Jes. 66 : 1).

Daarom voeren op aarde dikwijls zonde, zelfverheffing en hoogmoed heerschappij (Hab. 1 : 2 w.), en daartegenover staat dan de vurige bede der vromen, dat God de hemelen

S. & P. 1,2

Sluiten