Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mocht scheuren en nederdalen (Jes. 64 : 1), maar staat ook de profetische belofte, dat Hij dit zal doen, dat Hij van den hemel, of, zooals het ook genoemd wordt, van Zijne plaats zal komen en nederdalen om zich opnieuw in Zijne rdajesteit en heerlijkheid te openbaren (Micha 1 : 2 vv.).

Reeds dit enkele feit, dat de Heere en Zijne komst het middelpunt van alles is, verleent aan deze profetieën een geheel eenig karakter, getuigt van de Goddelijke openbaring, waarop zij berusten, en maakt, dat zij het voorwerp kunnen worden van het godsdienstig geloof, en als zoodanig de Oudtestamentische vromen in nood en druk kunnen bemoedigen, en ook nog voor de Christelijke kerk aller eeuwen blijven gelden als een licht, schijnende in eene duistere plaats.

In overeenstemming met dit alles draagt nu ook het onheil, dat door de profeten wordt aangekondigd, een principiëel ander karakter dan alle fantasieën over toekomstige natuurcatastrophen, die in Babyion of Egypte mogen zijn gekoesterd. Wat de profeten in dit alles aankondigen, is het gericht des Heeren over de zonde van Israël, of van de volkeren der aarde. Dat ze daarbij ook van beroeringen in de natuur hebben gewaagd, kan niet verwonderen; want reeds nu draagt de natuur mede den vloek, die over 's menschen zonde uitgesproken is (Gen. 3 : 17); en ook zijn reeds nu gebeurtenissen in het rijk der natuur als hongersnood en pestilentie de instrumenten van Gods gramschap, waardoor Hij gericht doet over de zonde der menschen.

Van dit komende gericht hebben de profeten gesproken onder velerlei vorm. Niet altijd hebben ze het uitdrukkelijk beschreven als „dag des Heeren"; zij teekenen het ook dikwijls in meer aardsche kleuren, als ze voorzeggen, dat Israël door zijne vijanden in den strijd zal worden verslagen, het land zal worden verwoest, en het volk in ballingschap worden weggevoerd. Maar ook zulke teekeningen worden dikwijls weer geplaatst in het hoogere licht van deze verkondiging, dat Jehova een dag heeft, waarop Hij ten gerichte komt (Jes. 2 : 12 w.) of doortrekt door Israels midden (Amos 5 : 17). En altijd is de grondgedachte van al hun voorzeggingen deze, dat diezelfde God, die in verledene tijden in Israels midden zijn grootheid heeft getoond, dit ook in de toekomst weder zal doen.

Sluiten