Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christelijke moraal geleverd (Ethicae doctrinae 1. IV. 1571 en 1573, 2 d., later herdrukt), waarschijnlijk de eerste in de Luthersche en zelfs in de geheele Protestantsche kerk, schoon de eerstgenoemde in de regulae vitae van David Chytraeus (1555) het eerste Campendium der Christelijke Moraal gehad heeft. Georg Calixtus heeft door zijn Epitome theol. moralis (1634 en 1662) de afzonderlijke behandeling der zedeleer als eene op zich zelve staande wetenschap nevens de Dogmatica begonnen. Daarin is hij gevolgd door Joh. Conr. Dürr, in Enchiridion (1662) en Compendium theol. moral (1675), G. P. Meier, H. Eixner en anderen. Gelijk J. C. Schomer in zijn Specimen theologiae moralis (D390) door de beginselen van Grotius en Puffendorfs natuurregt, zoo heeft Thomasius (Kunst, vernünftig und tugendhaft zu liebeu enz., 1684),, door het beginsel der algemeene welwillendheid op den voorgrond te plaatsen, aanleiding gegeven tot eene vrijere wetenschappelijke behandeling van de zedeleer. Tegenover het dorre dogmatisme hebben de Luthersche mystieken Joh. Arndt(gest. 16*1, dass wahres Christenthum), Valentin Andreae (gest. 1654, reipu■blicae Christianopolitanae descriptio, en Mythologia Christiana), Spener (gest. 1705, AUg. Qottesgélahrtheit der glaubigen Christen, 1680), Arnold (Geheimniss der göttl. Weisheit, 1700), en anderen gunstigen invloed op de behandeling der zedeleer geoefend, zoodat het goede der scholastische en mystische verbonden werd met de bijbelsche zedeleer.

Men rekent, dat het Eclectisme in de zedeleer met J. F. Buddeus (Instit. theol. mor. 1723) begonnen is. Zeer uitvoerig, vooral in de pligtenleer, maar zonder diepe wijsgeerige onderzoekingen, is de zedeleer van Mosheim, door Miller voortgezet en vermeerderd met eene geschiedenis der Moraal (in 9 Dl. 1735, envlg.). Tóllner (1762) zocht rede en openbaring in zijne Moraal-theologie te verzoenen. Döderlein werkte door zjjn Kurzer Enlwurj"enz. (3 uitg. 1794) vooral de formele zedeleer tegen, gelijk Morus (in zijne Akad. Vorlesungen überdie theol.Moral, 3 Bde 1794), en Tittman (in zijne Chr. Móral, 1783). Immanuel Berger en Bauer bevorderden de kennis der Bijbelsche zedeleer (zie § 5. aanm.).

2

Sluiten