is toegevoegd aan je favorieten.

Schets der Christelijke zedeleer

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn te beschouwen als de toepassing der wet in bijzondere omstandigheden en tijden, waardoor het algemeen geldende wordt bepaald, gelijk Matth. XIX: 11, 12 en 21. 1 Kor. Vil: 8, 9 en 26.

Opera supererogatoria zijn volgens de zuivere zedeleer ten eenenmale ondenkbaar (Luk. XVII: 7—10. Jak. IV: 17. 1 Joh. I: 10. Eph. II: 8, 9, enz).

§ 4.

Het Christelijk-zedelijke als ideaal is Christus zelf, geheel zonder zonde (1 Petr. II: 22. 1 Joh. III; 5. Joh: VHI: 46),, ofschoon vleesch en bloed deelachtig, dat is, mensch in alles (Hebr. IV: 15), onderworpen aan verzoeking (Math. IV:. 1—11. XXVI: 37—39), alleen levende (zijn spijs en drank, levensmiddel hebbende) door Gods wil te volbrengen (Joh. IV: 34); zich daartoe sterkende door gemeenschapsoefening met Hem (JoA. XII: 27 vlg.), volkomen liefde, altijd en in alles één met den Vader (Joh. XVII: 22), heilig als Hij, of waarheid, reinheid, liefde.

Christelijk-zedelijk is dus: het ideaal uitdrukken, Gods beeld of afschijnsel, Jezus Christus, navolgen (1 Gal. IV: 19).

Vergel. Marlensen, § 46—50.

Aanm. Christus zelf is het ideaal van heiligheid, in denken en spreken (waarheid), in gevoelen en begeeren (reinheid), in lijden en werken (liefde). Men vergelijke Ullmann, de onzondigheid van Jezus, — Hij personificeert het goede of zedelijke, de wet, den geest Gods. God is in Hem aanschouwelijk, en tevens de mensch, gelijk hij