Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Phil. II: 9), 2. wegens zijne zelfopoflèring voor ons op onze dankbaarheid (Joh. XV: 13. X: 18. Phil. I: 23), 3. wegens zijne wijsheid en magt op ons vertrouwen (Joh. XVII: 3. XIV: 11), en 4. wegens zijne betrekking tot ons, als onze eenige Heer of Meester, op onze gehoorzaamheid (Matth. XXIH: 8. Joh. XV: 9, 10. Rom. XIV: 7—9).

Aanm. Aanbidding zij hem toegebragt (Jok. V: 23. Matth. XIV: 33. Phil. II: 11. Hebr. I: 6. Openb. V: 8, 9, 12, 13 en VII: 9—11), maar het eigenlijk gezegd gebed in zijnen naam tot zijnen Vader gerigt (Zie A. J. Berkhout in Krom, Nieuw Chr. Magazijn, H, 1 en Lücke in de Bijdr. voor Buitenl. Godgél. X). Strijdig met de liefde voor Jezus, den eenigen Heer, is ook de hoogmoed, die zich aanmatigt te bepalen, of te beperken, wat Hij niet heeft bepaald, of beperkt. Het willen wijzer zijn dan Hij, hoe ook verborgen onder het woord: «het heeft ons en den H. Geest goedgedacht» , verwijdert den H. Geest van de Gemeente: want ■ tot de werken des vleesches behooren vijandschap, twist, tweedragt, sectè (Gal. V : 20).

TWEEDE HOOFDSTUK

DE LIEFDE JEGENS ONS ZELVEN.

§ 32.

De liefde tot ons zeiven, ook door Jezus en de Apostelen ondersteld (Matth. XXII: 39. Eph. V.-29), is op een Christelijk standpunt God liefhebben in ons, zoodat wij ons zeiven beschouwen als zijn ge-

Sluiten