Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE HOOFDSTUK.

BE LIEFDE JEGENS ONZE NAASTEN.

§ 36.

• De liefde jegens de naasten is God lief te heb¬

ben in onze medemenschen, als zijnde mede van Gods geslacht, en bijzonder in onzé medechristenen als leden van Christus ligchaam. Haar wezen is 1 Kór. XIII: 3—7, en Matth. VII: 12 geteekend. Volgens 2 Petr. 1:7 is zij eerst broederliefde, en daarna liefde jegens alle menschen (Pareau § 37, pag. 316—19). Wij beschouwen haar eerst in het algemeen,, en daarna in de bijzondere betrekkingen des levens.

Aanm. Vergelijk P. A. Borger de parte epistolae Patdi ad Romanos paraenetica. L. B. 1840.

§ 37.

In het algemeen openbaart zich de liefde jegens de naasten (Matth.Y: 43—48. Luk. VI: 27—35. X: 27—37. Lev. XIX: 17, 18. Peut. XXVII: 17—19) in waardering, bewaring en ontwikkeling van de naasten.

De waardering van de naasten sluit in: 1. Waarheidsliefde (opregtheid Kol. III: 9. 1 Petr. II: 1. Eph. IV: 25. Matth. XII: 56, 37. Jak. III: 1 vlg. Openb. XIV: 5).

Sluiten