Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarmede strijdt de leugen (Matth. V: 37. X: 16. Joh. VIII: 44, waarbij Joh. VII: 8, 10. Luk. XXIV: 28, te vergelijken met Hand. XXVI: 1—8. XXI: 17—26. XXIII: I—10. Nitzsch Syst. S. 330).

b. dankbaarheid (Luk. VI: 35.2 Éor. IX: 12 15);

waarvan de hoogste trap is voorbidding,- vooral jegens ouders (1 Tim. V: 4. (Tobias IV: 3). Sirach VII: 27° 28) en leermeesters (1 Thess. V: 12, 13).

c. regtvaardigheid (Rom. XIII: 7. Jak. III: 18. 1 Pelr. III: 12);

d. deelname in hunne vreugde en hun leed (Rom XII: 15);

e. vredelievendheid; waartoe behoort:

a. Vrede bewaren of verwijdering voorkomen (Bom. XII: 10, 16, 18. Hebr. XII: 14, 15. Matth. V: 9), door toegevendheid\ verdraagzaamheid, zachtmoedigheid (Matth. XI: 29. Gal'. VI: 1), geduld (Gal. VI: 2—5. XoZ. Dl: 12, 13. 1 aa V: 14), het vermijden van ergernis (Matth. XVIII: 6. Bom. XIV. 1 Kor. X), bescheidenheid (ZkA. XIV: 7. 2 JTor. X. i%m ïl: 3. IV: 5. «/o£. III: 17. IH: 2).

b. Vrede herstellen (verzoenlijkheid Jïom. XII: 19—21. Eph. IV: 26. Kol. III: 12, 13, waartoe de beleediger wordt opgewekt Matth. V: 23, 24), waarvan de nalating ongeschikt maakt tot het ontvangen van zondenvergiffenis (Matth. VI: 12—15 XVIII: 23-35. Gal. V: 15-20. Kol. III: 13. 2 Tim.lll-.S).

c Vijandsliefde, bestaande 1. in zich niet te wreken, maar het oordeel aan God over te laten (lPetr. II: 23. III: 9. Gal. V: 12. 2 Tim. IV: 14. Bom. XII: 19—21. 2 Thess. I: 5—10)^ 2. m vergeven en weldoen aan zijne vijanden (Matth. XVIII: 21. Bom. XII: 14, 17, 20), en 3. in het bidden voor hen (Matth. V: 44, 45. Luk. XXIII: 34. Hand. VII: 60 Kol III: 13).

Sluiten