Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 Tim. V: 4. — Exod, II: 12. XX: 12. Sirach III: 1—18. Spreuk. XXIII: 22. XX: 20. XXX: 17).

Aanm. 1. Dezelfde pligten rusten op de opvoeders en leermeesters, als vaders in Christus (1 Kor. IV: 14, 15. 2 Kor. Xn: 14. 1 Thess. II: 11. 1 Tim. V: 1).

Aanm. 2. De eerbied (niet vrees 1 Joh. IV: 18) is ook de eerste pligt jegens den ouderdom (1 Petr. V: 5. 1 Tim. ■ V: 1, 2). Alleen als de ouders en (zoo ook de ouderen) het onzedelijke, met Gods woord strijdige, vorderen, gelden Matth. XII: 46—50.' (Luk. II: 49. Joh. II: 4) en Matth. VIII: 21. X: 37. (Hand. IV. 19. V:29). '

Aanm. 3. De pligten van broeders en zusters onder elkander zijn de eerste in de Christelijke broederliefde (1 Petr. II: 17). Daarna volgen die der vriendschap, als liefde in een ruimeren kring: zij is echter door het Christelijke huwelijk van een geheel anderen aard dan bij de volken der oudheid.

§ 43.

De pligten van heeren en vrouwen jegens .de dienstbaren als verzorging en ontwikkeling van hen, die mede broeders en zusters in Christus zijn (Phil. vs. 16. 1 Kor. VII: 20, 21. XII: 13. Gal. III: 28. Kol. III: 11), zoodat zij bedenken, ook hun Heer te hebben, voor wien geen aanzien des persoons geldt (Eph. VI: 9. Kol. IV 1), •en hen dus billijk behandelen (Kol. IV: 1. Jak. V: 4), hun tijdelijk en geestelijk heil bevorderen.

De dienstbaren daarentegen hebben hunne heeren en vrouwen te dienen met eerbied en betamelijke onderwerping (1 Petr. II: 18. Eph. VI: 3. 1 Tim. VI: 1, 2, bij de gelijkheid als broeders en zusters in Christus), en door gehoorzaamheid

Sluiten