Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en consequentie, en deze beide vereischten mogen wij aan den algemeenen inhoud der conceptwet niet ontzeggen.

Vandaar dan, dat zij van een algemeen beginsel uitgaat, hetwelk den omvang van het armbestuur beschrijft. Op dit beginsel rust geheel het concept: het is de vestiging van één algemeen armbestuur, dat alle instellingen van weldadigheid en tevens alle gestichten tot opneming van bedelaars en landloopers (!) omvat (Art. 1.).

Overeenkomstig dit beginsel nu worden alle instellingen van weldadigheid, van welken aard en oorsprong zij zijn mogen, onder dit armbestuur en dus onder de staatswet op het armbestuur gebragt; zoowel de staats-, provinciale en gemeentelijke, als de kerkelijke, burgerlijk-kerkelijke en de bijzondere instellingen van weldadigheid.

Op dien gelegden grondslag worden de regelen voor het bestuur dier vierderlei instellingen achtereenvolgend en onderscheidenlijk aangegeven, en wordt voor het tegenwoordige aan de individuele vrijheid der instellingen, die niet regtstreeks staats-, provinciale of gemeentelijke instellingen zijn, zoo het schijnt, veel overgelaten; maar tevens én algemeene zorg én algemeen toezigt bepaald, die zich over alle instellingen hoegenaamd, elk op hare wijze, zal uitstrekken.

Ook de diakaniën en kerkelijke armbesturen worden onder de staatswet en dus onder den Staat gebragt, de gronden daarvoor in de Memorie van toelichting aangegeven en in de wet zelve wordt de wijze aangeduid, waarop de Staat over haar zoowel zorg als toezigt uitoefent en er invloed op heeft.

Tot deze alleen zal ik mij hier bepalen, zonder zelfs van die privaat-instellingen te gewagen, die gedeeltelijk van kerkelijken aard zijn, als gestichten, godshuizen enz., hetgeen ik aan anderen ter overweging overlate.

Sluiten