is toegevoegd aan je favorieten.

De hervormde diakoniën, en de concept-armenwet van 1851

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geene voogdij l), geene opperregeling zijn mag, als staatspolitie moet worden uitgeoefend; maar wel of de Wetgever zich moet onthouden van zoodanige bepalingen, die de vrijheid en zelfstandigheid der diakoniën aantasten, en daartoe zal althans wel het beginsel, in art. 1 uitgedrukt, behooren. Immers die meening der Regering wordt in de memorie gegrond op de bewering, dat »deze (diakoniën) in »schier alle gemeenten, door den openbaren aard harer «handelingen en door hare onmiddellijke betrekking tot «het grootste getal behoeftigen in bijna alle oorden des «Rijks, een hoofdtak van het armbestuur in Nederland «uitmaken." — Gereedelijk erkennen wij, dat al deze gronden strekken ten bewijze, dat de diakoniën een hoofdtak van het armwezen in Nederland uitmaken, ja zelfs, een hoofdtak der armbesturen, in Nederland gevestigd , maar geenszins van hei armbestuur, door de Grondwet ter wettelijke regeling aangewezen, in dien zin, waarin dit woord in deze wet genomen wordt. Doelt toch dit artikel slechts op het algemeen of burgerlijk armbestuur (gelijk ik boven beweerde), dan kan hieruit geen andere grond ontleend worden, dan dat die diakoniën hoogst belangrijk zijn in den Staat, en dat het in het staatsbelang is de staatspolitie daarover met hare vrijheid en zelfstandigheid te verbinden, en daartoe met haar te onderhandelen.

Maar getuigt dan niet, kan men aanvoeren, de geheele inhoud der wet, dat men althans voor het tegenwoordige zulke bedoelingen niet koestert, dat de Regering vrijgevig

!) Vg. van nierop, bl. IS, 13, alwaar over den aard van dit toezigt gehandeld wordt, en blaupot ibn cate, Armwezen en armverzorging, Leiden 1851, bl. li en 89 en verv.