Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licht, mag wel eens bedenken wat hier staat van dit valsch propheteeren in 's Heeren Naam.

En dat hij niet anders dan allerlei in ijdeler lieden oog, mooie droomerijen voortbrengt, wanneer hg in plaats van het zuivere Getuigenis, daar holklinkende volzinnen over de Waarheid ter neerschrijft.

Hij mag bovenal niet heen gaan om op gezag van Leidsche professoren, die terecht hefc afkeurden, dat velen maar der Overheid van alle tijden toeeigenden wat in bijzondere gevallen God aan Zijn gezanten had gelast, om nu ook dien ten gevolge der Overheid alle opdracht om ketters te richten te ontzeggen.

Dit is van Dr. Kuyper eene niet eerlijke handelwijze.

Hij gaat als een smokkelaar te werk, die met 't geoorloofde het verbodene uitvoert.

Hij werpt listiglijk met het vuil ook het schoon goed weg. Alleen omdat het van zijn gading niet is.

Dit nu is een gruwelijke handelwijze. Vooral als het zulke heiligheden als Gods Woord betreft.

Men kan zien, hoe gevaarlijk stellingen zijn als eenmaal er eene door Dr. Kuyper werd uitgesproken, dat er feilen gevonden worden in de ons ten dienste staande teksten der Schrift, dat de Schrift dien teu gevolge gelijkt „op een gouden drinkschaal wel echt, maar aan den rand geschaafd" (De Hedendaagsche Schriftcritiek, bl 36.).

O, hoe gevaarlijk, wanneer men niet de volkomenheid der Schrift in allen deele belijdt, maar als De Standaard van 10 Mrt. '84 tegen Ps. 12 : 7, 18 : 31, 119 : 140 enz., de Schrift een „goudmijn" noemt met het edel metaal in den staat van erts, d. i. ongezuiverd goud.

Als er iets op de zuiverheid des Woords kan afgedongen, dan gaat er allicht meer bij door.

Satan zegt: „het betreft maar den vorm."

Men kan aan Dr. Kuyper zien, dat hg ongemerkt ook wezenlijke stukken laat ontvallen.

Ongemerkt — Och, dat het bij Dr. Kuyper ongemerkt m oge zijn!

Maar, hoe is het mogelgk, dat zoo'n man zoo onnoozel kan wezen om zich onopzettelijk tot zulke dwalingen te laten voeren, als hij in De Heraut van 13 Jannarij '84 nog ter neêr schrijft.

Hjj wil betoogen, dat er in de Wetboeken van Mozes bepalingen staan opgeteekend, die voor onze dagen niet meer geldende zijn.

Sluiten