Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keer op keer en nog eens weer getuigde dat Brutus was „an honourable man". Eene prediking van liefde tot den naaste ook tegenover den Jood, moet noodwendig weinig indringend zijn, waar, zooals in „Het Probleem", aan den schitterenden rijkdom van tientallen Joden geheele bladzijden (287, 288, 289), aan de martelende armoe van millioenen en millioenen, slechts eenzame regels worden gewijd. Al dit, naar Kuypersche terminologie, Joodsche goud in de oogen zijner kudde te doen sar-schitteren, aldus kittelend der menscben platste passies, hebzucht en wangunst, het is inderdaad eene allerzonderlingste vorm van liefdewekking, van haatuitroeiïng, van aansporing tot verdraagzaamheid. Mij dunkt integendeel dat op zulk 'n wijs de geest verengd wordt, maar niet verruimd, het gemoed vergrofd, maar niet verteederd, het hart verkild maar niet verwarmd, in één woord, het zedelijke verzwakt maar niet versterkt.

Er zit eene vulgair sluwe demagogie in heel deze Dr. Kuyper's onoprechte wijze van doen, demagogie, die ondanks hare sluwheid, èn door partijgenoot èn door buitenstaander naar hare juiste bedoeling geheel wordt doorzien. Dit doorzien trouwens heeft de schrijver zelf den aandachtigen lezer licht gemaakt. Zooals kinderen hunne ouders en hunne leeraren het zuiverst zien in dezer onopzettelijke, van zelf gaande uitingen en gedragingen, zoo zien wij ook een schrijver het zuiverst waar hij zich laat gaan, waar zijne zelf-controle niet scherp, waar hij niet al te opzettelijk, waar hij min of meer spontaan is. Gaat het niet met ons allen zoo? Welnu, ook aan deze soort uitingen ontbreekt het niet in ons „Probleem" en wat brengen zij aan het licht? Dat zeer levendig in Dr. Kuyper werkt de echt middeneeuwsche somber geborneerde hang om alle euvelen, alles wat men tot der wereld last, scha en kwelling acht op der Joden breeden rug te schuiven. Dr. Kuyper zou zich schamen het regelrecht aldus te zeggen. Toch zegt hij het, vanzelf. Het borrelt als bronwater uit zijn archaischen geest. Luistert: „Wie spannen de gouden draden in het webbe, waarin men volken en vorsten vangt? De Joden (blz. 295).

Uit welken geest is het Socialisme, dat den vrede in meer dan één staat bedreigt, in bizondere mate opgekomen? Uit den Joodschen (blz. 282).

Wie hebben, niet beslist, (maar ook niet onwaar-schijnlijk) Polen's val, de desorganisatie van de Poolsche nationaliteit op hun geweten? De Joden (blz. 309).

Sluiten