Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat een Jood tot de Protestantsche, tot de Katholieke Kerk, tot den Islam zich bekeerde en niettegenstaande met zijne nakomelingen Jood bleef. Het onzinnige der gevolgtrekking bewijst het onzinnige der praemisse. De waarheid is, dat er niets is dan een religieuse band, het zij dan een vaste of losse, ') en daar, zooals Dr. Kuyper op blz. 262 scherpzinnig opmerkt, „er geen grondtrek in het menschelijk wezen is, die dieper dan de religie zijn bestaan tot in den wortel beheerscht", zoo valt uitsluitend van daar uit, met name door het verplichte huwen met gelijkgeloovigen, door eeuwenoude, soms minutieus geregelde gelijke levensgewoonten, gebruiken en ceremoniën, dat saamgesmeede te begrijpen, waarvan de doctor, ruw en grof, een deel als nationaal wil doopen. Opmerkelijk is het en telkens opnieuw treffend, hoe Joden nationale trekken vertoonen van de verschillende volkeren, waartoe zij behooren, ja, hoe religieuse nuances zelfs het landskarakter verraden. De Fransche Joden zijn Joden op z'n Fransch, de Engelsche op z'n Engelsen, de Amerikaansche op z'n Amerikaansch.

Is deze strijd, religieus of nationaal, een strijd om woorden, een gescherm met spitsvondigheden, grondelooze haarklooverij ? In geenen deele. Het aanstippen van het afzonderlijk nationale

l) Het woord volk in „het Joodsche volk" kan geen anderen zin hebben dan van een gemakkelijk verzamelwoord, zooals bijvoorbeeld ook Dr. Kuyper in de Standaard, van zijne partijgenooten sprekend, deze menigmaal „ons Christenvolk" noemt.

De grootste orthodox-Joodsche denker van den nieuwen tijd, S. R. Hirsch, er is herhaaldelijk op gewezen, heeft uitdrukkelijk elk volksschap in den gewonen gebruikelijken zin geloochend en voor een Jood als zoodanig niets dan plichten en banden van religieusen aard erkend. Het nationale in de religie zelf heeft uitsluitend abstracte beteekenis, wordt in zijne abstractie, de eeuwen door, alleen door eenzame ultra-religieusen doorvoeld en heeft zelfs op het dagelijksch bedrijvig leven van dezen niet den allenninsten invloed. „Die gehoffte Rückkehr nach Palastina", zegt Moses Mendelsohn, „hat auf unser bürgerUches Verhalten nicht den geringsten Einfluss. Dieses hat die Erfahrung vod je her gelehrt an allen Orten wo Juden bisher Duldung genossen und ist einestheils der Natur des Menschen gemass, der, wenn er nicht Enthusiast ist, den Boden liebt auf welchem ihm wohl ist und wenn seine religiösen Meinungen dawieder sind, diese für die Kirche und den Gebetsformeln versparet und weiter nicht daran denkt, anderentheils aber der Vorsorge unsrer Weisen zuzuschreiben die uns den Verbot im Talmud sehroft eingescharft an keine gewaltsame Rückkehr zu denken, ja ohnedie in der Schrift verheissene grosse Wunder und ausserordentliche Zeichen nicht den geringsten Schritt zu thun der eine gewaltsame Rückkehr und Wiederherstellung der Nation zur Absicht hütte".

Sluiten