is toegevoegd aan je favorieten.

Een middeneeuwer in onze dagen (Dr. A. Kuyper)

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met hunne in vele steden bekrompen woningen behooren tot de overblijfselen van de hardvochtige denkwijzen van het verleden" (XI).

4°. Als overgangsmaatregel: Eene handelsbelasting voor Joden met de speciale bestemming, van de opbrengst dier belasting: Joodsche kinderen in andere beroepen te doen opleiden.

5°. Elke kunst, elke wetenschap moet ook voor den Jood als eiken anderen vrijen mensch op gelijken voet met andere burgers openstaan. De ontwikkeling van talent moet ook hem het verwerven van onderscheiding, eer en belooning mogelijk maken.

6°. De gelegenheid voor Joodsche kinderen om middelbaar onderwijs te ontvangen. In zijne toelichting verklaart Dohm het o. a. wenschelijk dat de Regeering het Joodsche godsdienstonderwijs geheele vrijheid gunnend, toch zorg drage dat ook de zuivere en heilige waarheden van den godsdienst en zedeleer der rede, in het bizonder ook de verhouding van alle burgers jegens den Staat en de beteekenis der staatsburgerlijke plichten den Joodschen kinderen worde onderwezen. Een gewichtige taak, zoo laat hij volgen, ongetwijfeld ook bij de Christenen gewenscht.

7°. Bevordering der verdraagzaamheid. In zijn toelichting luidt het: Met de zedelijke verbetering der Joden moeten de pogingen der Christenen om hunne vooroordeelen en liefdelooze gevoelens af te leggen, hand in hand gaan (XII). Den predikanten moest worden opgedragen om tot deze zelfherziening aan te sporen, die evenzeer door den geest der menschenliefde als door het echte Christendom wordt bevolen. Die taak moet dezen mannen licht vallen, wanneer de geest der Liefde, sprekende uit de gelijkenis van den Samaritaan, hunne harten vervult (XIII).

8°. Vrijheid in de regeling van alles wat hunne religieuse belangen en aangelegenheden betreft. Uitdrukkelijk noemt Dohm hier het banrecht.

9°. Eigen rechtspraak bij privé-geschillen tusschen Joden onderling.

(Mendelssohn maakt in de voorrede van zijne uitgave van Mannasse ben Israel's „Rettung der Juden" de opmerking dat hij nóch het banrecht, nóch de eigen rechtsspraak wenschelijkheden acht; het eerste niet, omdat hij uitsluiting in het algemeen in strijd met godsdienst acht, het tweede niet, omdat, zoodra de leden van den Staat, hoe zij ook in geloofszaken denken, gelijk-menschelijke rechten genieten, zij ook onder het algemeene recht behooren te vallen. Dan kan het onverschillig zijn welk geloof de rechter