Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kennelijk doel de voornaamste bepalingen van Chalcedon (451) te handhaven en de besluiten van het 5e en 6e concilie van Constantinopel (553 en 680) zooveel mogelijk teniet te doen. Het werd op dien grond het quinisextum (vijf-zesde) genoemd. Rome erkende het echter om diezelfde reden niet als een oecumenisch Concilie. Geen wonder trouwens. Alleen de bepaling ware daartoe reeds genoegzaam geweest, dat aan den patriarch van Constantinopel dezelfde rang moet worden toegekend als aan dien van Rome. Ware Keizer Justinianus niet door staatkundige omstandigheden verhinderd geweest om te doen hetgeen hij zou hebben gewild, dan ware het waarschijnlijk reeds toen tot eene openlijke breuk gekomen. Toch kon deze op den duur niet uitblijven, daar bijna elke aanraking tusschen Oost en West oorzaak werd van nieuwe wrijving.

In het midden der 9e eeuw stonden tegenover elkander de partij van den geëerden patriarch van Constantinopel, Ignatius, die door Bardas (minister van Michaël BI) was afgezet en die van PHOTIüS, den patriarch, die in zijne plaats was benoemd en door Bardas krachtig werd gesteund. Beide partijen wendden zich ten slotte tot NicolaasI, bisschop van Rome. Deze deed op grond van de zoogenaamde Isidorische decretalen aanspraken gelden op eene macht en een invloed, waarvan men zich in het Oosten geen begrip kon vormen, omdat men niet op de hoogte was gebleven van hetgeen het innerlijk leven der westersche Kerk had bewogen en gewijzigd. Men had gemeend zich tot een raadgever en bemiddelaar te wenden, en men had iemand gevonden, die zich bevoegd rekende als rechter op te treden. Eene goede verstandhouding werd daardoor allerminst bevorderd. Ook droeg het verloop van de „bemiddelende werkzaamheid" van Rome's bisschop daartoe niet bij. De gezanten, door hem naar Constantinopel gezonden, werden, gelijk het later heette, door Photius om den tuin geleid. In werkelijkheid lieten

Sluiten