is toegevoegd aan je favorieten.

De Grieksche kerk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Photius' encycliek weder in herinnering. Op den voorgrond stelde hij het verschil over den uitgang van den Heiligen Geest en verweet daarenboven aan Rome het gebruik van ongezuurd brood bij het H. Avondmaal. In den daaropvolgenden strijd deed Keizer ConstanTINUS monomachus ernstige pogingen om eene dreigende breuk te voorkomen. Maar de paus bracht weder de oude aanmerking te berde tegen den naam van „oecumenisch patriarch", aan den bisschop van Constantinopel gegeven, en eischte daarenboven de erkenning van zijn oppergezag. Tegen den wil en wensch des Keizers handhaafde Michaël CaerüLARIUS echter zijn eenmaal ingenomen standpunt. Het gevolg was, dat de legaten, door den paus gezonden met kardinaal Humbert aan het hoofd, den 16 Juli 1054 een banbul neerlegden op het hoofdaltaar der Sophiakerk te Constantinopel. Een oproer in Constantinopel dwong den Keizer zijne verzoeningsgezinde houding te laten varen. En de patriarch, nu gesteund door zijne medepatriarchen, de lagere geestelijkheid en het volk, beantwoordde den banvloek van Rome met een banvloek van zijne zijde. Van dat oogenblik af was de scheuring tusschen het Oosten en het Westen een voldongen feit. Latere pogingen tot hereeniging hebben niet mogen baten; zij liepen in den regel tot nadeel van het Oosten uit.

Wij hebben de geschiedenis der scheuring eenigszins uitvoerig geschetst, omdat deze van beslissenden invloed is geweest op den in- en uitwendigen toestand der Grieksche Kerk tot op den tegenwoordigen tijd. Voor de Grieksche Kerk zelve is deze allesbehalve voordeelig geweest. In innerlijke en uiterlijke kracht door het Westen overtroffen en overvleugeld, was reeds vóór de scheuring de vervreemding van het Westen haar noodlottig geweest. De scheiding zelve stelde haar geheel en al buiten den invloed der godsdienstige en kerkelijke ontwikkeling en bracht haar met nog grooter beslistheid dan te voren tot dien staat van verstijving, die op den