is toegevoegd aan je favorieten.

Fred. Steph. Kraayvanger, voormalig R.K. Priester

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat de oversten van het klooster-sanhedrin na dit antwoord elkaar met groote oogen aankeken, laat zich denken. Met zijn gevatheid, die zijn standvastigheid ter rechter tijd te hulp kwam, had hij ze voor 't oogenblik geheel uit het veld geslagen. Geen wonder, dat ze, zoo in hun eigen woorden gevangen, er meesmuilend niets anders op durfden zeggen, dan: „Nu, ons is het goed."

Kraayvanger gaat dan naar zijn nieuwe standplaats, een vrij lange reis weer. Niet echter naar het Zuiden en over de bergen, zooals men met hem voorhad, maar naar 't Noorden. Wie echter meenen mocht, dat bespiedende blikken en luisterende ooren hem daar niet volgden, zou spoedig van het tegendeel overtuigd worden. Hij mocht zich niet bevinden in het midden eener uitsluitend roomsche gemeente, Franeker mocht een vrij belangrijke zoo niet overwegénd protestantsche bevolking tellen, de vrije ademhaling werd hem hoe langer hoe meer belemmerd, straks totaal onmogelijk gemaakt.

In overleg met de in 1853 ingestelde bisschoppen (aldus zijn aanteekeningen) stelde onze provinciaal den pater van Woerden (pastoor van den Burg) als gardiaan (bewaker) over ons missionarissen aan. Hij moest een wakend oog op ons allen houden, een opdracht waarvan hij zich vooral ten opzichte van Kraayvanger met de meeste stiptheid kwijten zou, daar hij uitnemend geschikt was tot controleeren en spionneeren. Hij wist het met den provinciaal en den aartsbisschop zoo te maken, dat aan onzen vriend een andere pater werd toegezonden, speciaal belast om hem te Franeker in hetgeen hij daar leerde na te gaan. Dit verhinderde echter niet, dat het te Franeker ging als te Oudewater en elders: Kraayvanger werd bemind door zijn roomsche gemeenteleden en bevriend met vele Protestanten.

Al maakt de surveilleerende Cerberus het den zwakken broeder hoe langer hoe lastiger, onze vriend gevoelt zich niet zwak, vooral niet wanneer hij daar 's avonds in stilte bij zijn lampje neerzit. Daar voor zich een schat van lectuur (doch voor hem verboden waar) zoo nu en dan van zijn spaarpenningen gekocht, soms ook (evenals in Oudewater) van Protestanten ter leen ontvangen. Voor ons, met zijn geschiedenis bekend, is het geen geheim, dat een der laatstgenoemden is Dr. J. H. Reddingius, predikant bij de Ned. Herv. gemeente; en dat het werk, waaruit hem zooveel licht opging, was de Natuurlijke godgeleerdheid van prof. P. Hofstede de Groot, hem door tusschenkomst van Ds. R. ter hand gesteld. Geen geheim dat ook bij dien ketterschen voorganger bezoeken werden gebracht en onder meer van dien leeraar de volgende raad werd ontvangen:

„Sluit u bij ons Protestanten aan. Vrij onderzoek begeert ge. „Bij ons staat ze op den voorgrond. Doorgetast dus, en een keus „gedaan, mijn vriend, of ge zult steeds in 't labyrinth blijven om-