Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schandalen uit Rome's kerk werden tijdens zijn verblijf in des hoogleeraars woning niet van hem gehoord.

Zijn aankomst te Groningen was, 't spreekt van zelf, voor de vrienden van prof. de Groot geen. geheim gebleven. Nog dienzelfden avond komen groninger professoren met andere godgeleerden hem welkom heeten. Hoe men hem een nuttigen werkkring zou verschaffen, bleef vooralsnog in het onzekere, al zouden de professoren de Groot en Muurling daartoe hun invloed aanwenden. Wachten was dus de boodschap; doch dit wachten beteekende voor Kraayvanger niet een opgaan in verveling. Daartegen beveiligde hem de lectuur waarvan men hem voorzag, het gezellig verkeer' met velen uit de gegoede burgerij met wie hij achtereenvolgens kennis maakte, en ten slotte ook de welwillend verleende toegang tot geleerde kringen.

Ds. van Herwerden, een der groningsche predikanten, voelde zich bizonder tot hem aangetrokken en zou hem straks voorbereiden zich aan te sluiten bij het Nederlandsch Hervormd kerkgenootschap. In den proponent Hofstede de Groot, zoon van den hoogleeraar, vond hij een broeder, één met hem in zijn verlangen.

Alles ging aanvankelijk naar wensch, maar onderwijl kwamen Rome's plannen gereed en naderde het oogenblik van uitvoering.

De te Groningen wonende deken en pastoor J. was een man bij uitstek geschikt om den weggeloopen pater tot rede te brengen. Hij slaagde erin met Kraayvanger in aanraking te komen en hem te trekken tot zijn woning. Een pleegzuster, die pastoor J. meermalen bij zieken had ontmoet, riep uit toen zij dit vernam: „Nu „is hij ook verloren; ik ken dien man."

Op zekeren dag gaan twee personen uit des dekens huis tot Kraayvanger; een man, blijkens zijn kleeding een priester, en een vrouw, een geldersche boerin. „Zuster Marie I neef Teunissen I" Maar nog voor hij de reden van hun komst kan vragen, hangt reeds de zuster den broeder, dien zij met haar brieven tevergeefs bestormd had, aan zijn hals. Zij kust hem en zegt weenend: „Och lieve heer-broer, och, och, gij bedroeft mij zoo diep. Gij „doet mij den dood aan als ge protestantsch wordt. En uw jongste „broer, ook die is er al ziek van, en hij zal het besterven, onze „Herman, wanneer hij hoort dat gij van ons, en gij juist, lieve „heer-broer, van ons katholiek geloof zijt afgevallen." Op die wijze gaat zij voort, herinnerend aan wat broer Everard en zuster Johanna, broer Hendrik en Jan, en wie al meer herhaaldelijk schreven en waarop ze ook wel antwoord ontvingen, maar veel te onbegrijpelijk voor zulke ongeleerde lieden. Dit echter smeeken ze: broer Frederik mag niet de schande over de familie brengen van over te gaan tot de ketters. Zuster Marie bezweert hem dit.

Nu komt de andere bezoeker, priester Teunissen, een neef van Kraayvanger, aan het woord: „Hoe komt gij toch hiertoe,

Sluiten