Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lingen, over het vraagstuk van de onderhouding der Mozaïsche wet, door de Christenen uit de heidenen.

Terecht merkt Ds. L. op dat, als Petrus de verg. aanspreekt met „mannen broeders", daarin geen aanduiding ligt: „de vrouwen zijn uitgesloten", n.1. met die bepaalde bedoeling heeft Petrus dat niet gezegd. Hij richtte zich tot de vergadering en deze bestond uit ambtsdragers, vs. 6: „En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen om op deze zaak te letten."

Uit het feit, dat die vergadering alleen uit „mannen broeders" bestond, blijkt intusschen wèl, dat het gevoelen van de apostelen over de vrouw niet was als dat van Ds. L. en dat ook zij de vrouw niet den invloed wenschten te geven op „den gewonen gang" van het kerkelijk leven als deze. Want dan hadden de vrouwen, altijd volgens den redeneertrant van Ds. L., ook zitting moeten hebben in die vergadering. Omdat een vrouw „kan trachten iemands verkiezing in het ambt te beletten", zoo concludeerde Ds. L., is het ongerijmd haar te verhinderen „iemands verkiezing te bevorderen." Dus moet" zij stemmen.

Precies eender staat het immers met de leer, die moet gepredikt worden. En zoo hadden de apostelen dus kunnen redeneeren, als die voorstelling van Ds. L. opgaat: „De vrouwen hebben recht te pogen, de verkondiging van een valsche leer te beletten; dus is het ongerijmd haar te verhinderen aan het vaststellen van de zuivere leer mede te werken. En derhalve moeten de vrouwen ook zitting hebben in deze vergadering."

Intusschen schijnt deze, immers zoo logisch onberispelijke gedachte, bij Petrus en de andere ambtsdragers te Jeruzalem niet te zijn opgekomen, want zonder de minste aarzeling vergaderen de „mannen broeders", en spreken elkaar met die woorden aan.

Doch dit maar tusschen haakjes.

Van belang is het, en interessant om op te merken, hoe Ds. L. uit die Jeruzalemsche vergadering nog een wapen weet te smeden voor het vrouwenstemrecht.

Niets is gemakkelijker voor Ds. L. dan dat. Er staat toch

Sluiten