Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standpunt van het infra-lapsarisme, dat niet alleen durft te spreken van het besluit der verkiezing, maar dat evenzeer durft te gewagen van het besluit der verwerping. Zie Canones, hoofdstuk 1, art. 15. Hieruit blijkt klaar, dat de term „toelaten" en „laten liggen" niet is een negatieve daad in God, maar dat wij bier hebben een positieve handeling van het willen toelaten.

In heel de Heilige Schrift kunnen wij zulk een negatie niet vinden. Daarom is de inhoudrijke gedachte van het infra, om een positieve daad Gods te belijden, zoowel in verkiezing als verwerping.

Het is dan ook terecht door Bogerman aan het adres der RemonI stranten opgemerkt, (sess. 34) dat, wie het beginsel der verkiezing volgens het Woord van God aanvaardt, ook noodzakelijk moet I aannemen de leer der verwerping.

Ook Van Oosterzee kon tot deze hoogte niet komen om het infra tegenover het supra recht te doen. Deze theoloog noemt te spoedig iemand supra, zonder zich voldoende rekenschap te geven van dit probleem. Ook Oosterzee gaat als Scholten betoogen, dat, wie ieeren, dat de val van Adam mede besloten ligt in het besluit, supra-lapsariër is. Hij wijst op het decretum absolntum van Calvijn, blz. 348, „Christelijke dogmatiek", en zegt dan: „Dit besluit is niet eerst genomen ten gevolge van den zondeval, maar moet als geheel onafhankelijk daarvan als vrij en eeuwig gedacht worden, zoodat ook de val zelf daarin mede begrepen is (supralapsarisch)." Van Oosterzee meent, dat de infra-lapsariër van een negatie uitgaat bij het stuk der verwerping, en dat slechts voor den grond der verkiezing is aan te voeren Gods vrijmachtig en onberouwelnk weü>ehagen, blz. 349.

Reeds zagen wij, hoe dit ten eenenmale onjuist is en met een beroep op de Canones zelf kan worden weerlegd. De principieele fout van Van Oosterzee is, dat hij aan het menschelijk gemoed en aan het christelijk geweten in dit machtig probleem stemrecht geeft, terwijl hij met Calvijn en anderen naar niets had te luisteren dan naar Gods Woord. Dat deze fout bij Van Oosterzee is te ontdekken, moge blijken uit zijn eigen woorden als hij schrijft, blz. 352: „Christelijke dogmatiek":

„Heeft het dialectisch-redeneerend verstand het hoogste woord op theologisch gebied, wij achten de leer van Calvijn onwederlegbaar, maar heeft ook het menschelijk gemoed, het christelijk geweten, hier stemrecht, verwonderen kan het ons niet, dat slechts door betrekkelijk weinigen de zedelijke moed wordt getoond om

Sluiten