Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier voor mö ligt de oude rooster van werkzaamheden over het le half jaar hunner studie. Daarop tel ik 81 lesuren, en 'niet minder dan 22 daarvan waren aan taal gewfld en verder nog 8 aan rekenen. Een uur kregen zij zang.

Later kwamen daar ook riog godsdienstige vakken bij; maar taal bleef toch immer een vooraanstaande plaats innemen op hun lesrooster. Doch de taal van hun toekomstig arbeidsveld was daarbij niet. Reeds spoedig werd het Hoofdbestuur der N. Z. V. van verschillende zijden gewezen op de Soendaneezen van WestJava. En men besloot dan ook, om als God den weg daartoe banen wilde, onder dat volk te gaan arbeiden. Maar de taal der Soendaneezen was hier in die dagen onmogelijk te leeren.

Lang duurde in dien tijd de opleiding tot zendeling niet. In 1862 reeds durfde men overgaan tot uitzending.

Aanvankelijk had men willen uitzenden de broeders C. Albers en D Licht. Maar de gezondheidstoestand van den laatste maakte dat onmogelijk. In zijn plaats zou toen gaan br. D. J. van der Linden. De heer G. J. Grashuis, destijds leeraar der kweekelingen in de Indische talen, zou met hen mede gaan om den Bijbel te vertalen in het Soendaneesch. En al is deze eerste poging ook mislukt, het doet toch aangenaam aan te zien, hoe deze mannen des geloofs terstond ook de vertaling des Bflbels, ter hand wilden nemen.

29 Mei 1862, op Hemelvaartsdag, werd dezen beiden a. s. zendelingen, examen afgenomen in tegenwoordigheid van het'Hoofdbestuur der N. Z. V. Dat examen ging over Mohammedanisme, Kerkgeschiedenis, Dogmatiek, Javaansch en Maleisch. En aan den avond van dienzelfden dag had de ordening en afvaardiging plaats in de kerk der Eng. Presb. Gemeente te Rotterdam. Het had heel wat moeite gekost om voor dien dag een

Sluiten