Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrift voor mij. 'n Zeer interessant geschrift, waaruit ik, als ik ruimte had gehad, graag heel veel zou overgenomen hebbeD, want er staan dingen in, die nu na 40 jaren nog waard zijn gelezen te worden. Reeds haalde ik er uit aan. Nu nog deze aanhaling, die ons kan doen zien, hoe br, Albers zelve deze smartelijke dingen zag en voelde.

Onder indruk van het geschrévene, waarin hij de geschiedenis van zijn post, die op menige bladzijde een lijdensgeschiedenis was, geheel nog eens overzien had, zegt hij: „ . . . De Tjitesbongers vielen voor een groot deel af en ik zag het wonderlijk schouwspèl, dat de zon, nauwehjks boven de kimmen verrezen, weer verschrikt terugweek en de oude schemer weer terugkeerde om wellicht tot pikke duisternis aan te groeien. Hoe treurig steken onze tegenwoordige bijeenkomsten af bij de goedgevulde kerken van toen. — Waarlijk daar ligt een zekere onbarmhartigheid in om iemand te nopen eene lange geschiedenis zijner nederlagen te schrijven en met eigen hand te melden, dat God nooit welbehagen getoond heeft aan zijn werk."

Maar dan roepen we uit: Neen zwaarbeproefde, diepbedroefde broeder! zoo is het toch niet! Want in het geheel möcht. gt) in Tjiandjoer aan 54 grooten en kleinen den H. Doop toedienen, en toen grj die gemeente verliet, waren daar 31 Christenen. De tegenstand was vaak fel; der tegenheden waren vele; teleurstellingen kendet gij schier zonder tal, en veel lijden zaagt ge ook in eigen huis: — maar ook zegen Gods was uw deel! — Tegen ' mij zei br. Albers eens — en toen sprak hij 'over een zaak, die hem opnieuw een bron van veel leed geworden was —: „Ja, er zfln den laatsten tijd heel wat Christenen verhuisd uit Tjiandjoer en naar andere gemeenten getrokken. Maar ik moet erkennen, dat de arbeid daar toch nog zoo onge-

Sluiten